ECLI:NL:RBGEL:2024:3532

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2024
Publicatiedatum
10 juni 2024
Zaaknummer
AWB - 23 _ 1631
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.7 WaboArt. 7.18 Wet milieubeheerArt. 2.2a BorArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek wegens geen strijd met bestemmingsplan bij veehouderij

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun verzoek om handhaving tegen een veehouderij die volgens hen meer dieren houdt dan toegestaan volgens het bestemmingsplan. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen.

De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan “Buitengebied Heumen 2009” geen voorschriften bevat over maximale aantallen dieren en dat de definitie van een grondgebonden agrarisch bedrijf in het bestemmingsplan geen limiet aan het aantal grootvee-eenheden per hectare stelt. De door eisers aangehaalde norm van 2,5 GVE/ha is niet van toepassing omdat deze niet in het bestemmingsplan, de Omgevingsverordening Gelderland, jurisprudentie of Europese regelgeving is opgenomen.

De rechtbank volgt het college in het standpunt dat het bedrijf op het perceel een grondgebonden agrarisch bedrijf is in de zin van het bestemmingsplan. Hierdoor is geen sprake van een overtreding van het bestemmingsplan en is het college niet bevoegd handhavend op te treden. Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en zij krijgen geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en het verzoek om handhaving wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/1631

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiseres] ,

[eiser 2]en
[eiser 3],uit [woonplaats], eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen

(gemachtigden: [naam gemachtigde] en [naam gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving in het besluit van 12 augustus 2022 dat in stand is gelaten in de beslissing op bezwaar van 6 februari 2023.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers en gemachtigden van het college deelgenomen.

Totstandkoming van het besluit

2. Bij brief van 1 juli 2022 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden tegen activiteiten op het perceel [locatie] in [plaats] (het perceel).
Kort samengevat hebben eisers aangegeven dat:
1. Voor de activiteiten op het perceel geen milieubeoordeling heeft plaatsgevonden en het college niet de vereiste omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” heeft verleend. [1]
2. Op het perceel meer dieren aanwezig zijn dan op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied Heumen 2009” is toegestaan.
3. Het bestemmingsplan op het perceel geen intensieve veehouderij toestaat.
2.1.
In het besluit van 12 augustus 2022 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen omdat volgens het college geen sprake is van een overtreding van de voor dit bedrijf geldende verbods- of gebodsbepalingen. Er is volgens het college geen sprake van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). In de beslissing op bezwaar heeft het college de afwijzing ongewijzigd in stand gelaten.

Wat ging er aan deze procedure vooraf?

Meldingen oprichten van een melkrundveehouderij
3. Op 18 november 2011 en 19 april 2012 heeft de eigenaar van het perceel meldingen op grond van het Besluit landbouw milieubeheer gedaan voor het oprichten van een melkrundveehouderij met 200 stuks melkrundvee en 140 stuks jongvee op het perceel.
Omgevingsvergunning bouw rundveestal, landbouwloods en mestopslagsilo
3.1.
Op 23 februari 2012 heeft het college aan de eigenaar van het perceel een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een rundveestal, een landbouwloods en een mestopslagsilo op het perceel. [2] Eisers hebben hiertegen bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 29 oktober 2014 [3] is de vergunning in stand gebleven. De Afdeling heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een vergunningplichtige inrichting in de zin van artikel 7.18 van de Wet milieubeheer en dus ook geen sprake van onlosmakelijke samenhang tussen deze twee activiteiten: te weten bouwen en milieu, waarvoor krachtens het bepaalde in artikel 2.7 van de Wabo één aanvraag moet worden ingediend die op beide activiteiten betrekking heeft. Er is daarom geen omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.
Meldingen wijzigen stalsysteem en verandering bedrijf
3.2.
Op 10 januari 2013 en op 16 april 2014 heeft de eigenaar van het perceel meldingen gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het wijzigen van het stalsysteem en een verandering van het bedrijf.
Verzoek om handhaving eisers
3.3.
Bij brief van 5 januari 2015 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden tegen de exploitatie van de door de eigenaar van het perceel geëxploiteerde melkrundveehouderij, omdat de eigenaar van het perceel volgens eisers niet kon volstaan met een melding ingevolge het Activiteitenbesluit en daarom in strijd met artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo handelt door het agrarisch bedrijf zonder omgevingsvergunning in werking te hebben. Het college heeft dit verzoek in het besluit van 26 januari 2015 afgewezen. Eisers hebben daartegen bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft op 17 oktober 2018 [4] uitspraak gedaan en geoordeeld dat het college het verzoek om handhaving op juiste gronden heeft afgewezen, omdat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden.
Omgevingsvergunning mestzak, vergistinstallatie en uitbreiden dieraantallen
3.4.
In het besluit van 6 mei 2022 is aan de eigenaar van het perceel een omgevingsvergunning verleend voor het:
  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of een beheersverordening) te verlenen voor het legaliseren van een buiten het bouwvlak geplaatste mestzak. Aan de verlening van de vergunning zijn geen voorschriften verbonden;
  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wabo (het verrichten van een andere activiteit die invloed heeft op de fysieke leefomgeving);
o zoals bedoeld in artikel 2.2a, achtste lid van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), te verlenen voor het oprichten van een installatie voor het vergisten van uitsluitend dierlijk mest met een verwerkingscapaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter per jaar;
o en zoals bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder i van het Bor te verlenen voor het uitbreiden in dieraantallen, 114 stuks overig rundvee ouder dan 2 jaar (A7.100).
Eisers hebben geen rechtsmiddelen ingesteld tegen de omgevingsvergunning van 6 mei 2022.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het afgewezen handhavingsverzoek van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
5. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage bij de uitspraak staan de voor de uitspraak van belang zijnde (wets)artikelen.
6. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. [5]

Heeft het college het verzoek om handhaving kunnen afwijzen?

Zijn de aantallen aanwezige dieren in strijd met het bestemmingsplan?
7. Eisers voeren aan dat de op het perceel toegestane 454 stuks melkvee, jongvee en runderen in strijd zijn met het bestemmingsplan. Als het college dit aantal dieren wil toestaan had moeten worden afgeweken van het bestemmingsplan “Buitengebied Heumen 2009” met een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en dat heeft het college niet gedaan.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Het aantal toegestane dieren is niet in strijd met het bestemmingsplan omdat het bestemmingsplan geen aantallen aangeeft. Er volgt ook geen norm voor het aantal dieren uit de in het bestemmingsplan opgenomen definitie van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Dat betekent dat er geen omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo.
Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een overtreding waartegen het college handhavend kan optreden.
Is sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan?
8. Eisers voeren aan dat uitbreiding van een agrarisch bedrijf zoals op het perceel volgens het bestemmingsplan enkel grondgebonden mag plaatsvinden. Eisers verwijzen hierbij naar het bestemmingsplan “Buitengebied Heumen 2009”, waarin is opgenomen "dat er geen vergroting van de reeds aanwezige niet-grondgebonden agrarische bedrijfstak mag plaatsvinden" (laatste volzin pagina 23 - Bestemmingsplan Buitengebied 2009 gemeente Heumen - productie 1). Eisers begrijpen hieruit dat ondernemingen in de agrarische bedrijfstak - als bedoeld op het onderhavige object op [locatie] te [plaats] - enkel grondgebonden mogen uitbreiden. Volgens eisers is bij agrarische bedrijven sprake van grondgebondenheid wanneer het voor het vee benodigde ruwvoer geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond. Volgens eisers wordt bij een veebezetting van 2,5 grootvee-eenheden [6] per hectare (GVE/ha) of minder per hectare gras en voedergewassen aan deze voorwaarde voldaan. Eisers verwijzen voor deze norm naar de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2013 (herijking 2016), vastgesteld door provinciale staten van de provincie Utrecht bij besluit van 12 december 2016 en de uitspraak van de Afdeling van
10 november 2021. [7] Volgens eisers zijn op het perceel meer dan 2,5 GVE/ha aanwezig en betekent dit dat geen sprake meer is van een grondgebonden bedrijf in de zin van het bestemmingsplan. Daarom is volgens eisers sprake van een overtreding.
8.1.
Voor de beantwoording van de vraag of op het perceel sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf moet worden gekeken naar de in artikel 1 van Pro het bestemmingsplan opgenomen definities van grondgebonden agrarisch bedrijf en niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. In artikel 1 staat Pro dat hieronder wordt verstaan: de agrarische bedrijfsvoering die geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van de open grond als agrarisch productiemiddel zoals (...), veeteelt, (...).
Onder niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering wordt verstaan: de agrarische bedrijfsvoering die niet geheel of hoofdzakelijk van de open grond als agrarisch productiemiddel afhankelijk is, maar waarvan de productie geheel of overwegend in gebouwen plaatsvindt, zoals varkens-, kalver- of pluimveefokkerij, eendenmesterij of -fokkerij, champignonkwekerij en containerteelt.
8.2.
Het betoog van eisers dat niet langer sprake is van uitbreiding van een grondgebonden bedrijf omdat sprake is van meer dan 2,5 GVE/ha kan niet gevolgd worden. De norm van 2,5 GVE/ha volgt namelijk niet uit gemeentelijke, provinciale (Gelderland), nationale of internationale wet- en regelgeving.
De door eisers aangehaalde norm is opgenomen in de toelichting bij de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2013. [8] Deze verordening is in Gelderland niet van toepassing. In de Omgevingsverordening Gelderland is geen norm voor GVE/ha opgenomen met betrekking tot grondgebondenheid.
Voor zover eisers aanvoeren dat de norm van 2,5 GVE/ha met betrekking tot grondgebondenheid volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2021 kan dit niet gevolgd worden. In de uitspraak is in rechtsoverweging 5 enkel een stuk tekst uit de toelichting van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2013 weergegeven. Dit is dus geen oordeel van de rechtbank.
Voor zover eisers betogen dat de norm van maximaal 2,5 GVE/ha volgt uit de Verordening (EG) 1200/2009 van 30 november 2009 [9] volgt de rechtbank dit niet. In deze verordening is in bijlage I enkel een tabel opgenomen met coëfficiënten voor de grootvee-eenheden. [10]
8.3.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan. De agrarische onderneming voldoet aan de ruime definitie uit het bestemmingsplan. In de definitie is geen maximaal aantal GVE/ha opgenomen en er is ook geen grond om strengere normen in te lezen. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan is gekozen voor deze definitie. Het bestemmingsplan staat in rechte vast en daarom dient daar vanuit gegaan te worden.
Dit betekent dat geen sprake is van een overtreding waartegen het college handhavend kan optreden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een overtreding van het bestemmingsplan. Dat betekent dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden. Het verzoek om handhaving van eisers is daarom terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het door hen betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(...)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(...)

Bestemmingsplan Buitengebied Heumen 2009

Artikel 1

grondgebonden agrarisch bedrijf:
de agrarische bedrijfsvoering die geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van de open grond als agrarisch productiemiddel zoals akkerbouw, veeteelt, vollegrondstuinbouw, een bosbouwbedrijf en/of een paardenfokkerij;
niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:
de agrarische bedrijfsvoering die niet geheel of hoofdzakelijk van de open grond als agrarisch productiemiddel afhankelijk is, maar waarvan de productie geheel of overwegend in gebouwen plaatsvindt, zoals varkens-, kalver- of pluimveefokkerij, eendenmesterij of -fokkerij, champignonkwekerij en containerteelt;

Artikel 5.1.2 bestemmingsplan:

De bestaande agrarische bedrijven mogen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.2, uitbreiden dan wel omschakelen naar een andere tak van agrarische bedrijfsvoering met dien verstande dat:
de omschakeling naar een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf;
uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, of;
uitbreiding van een bestaand niet-grondgebonden agrarisch bedrijf;
er niet toe mag leiden dat de uitbreiding dan wel omschakeling van het bedrijfsvloeroppervlak ten behoeve van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf meer bedraagt dan 350 m2 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - openheid', dan wel 500 m2 op overige gronden. Een uitzondering geldt voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven in de vorm van varkenshouderijen en vleeskalverenhouderijen. Binnen het bouwvlak gelden voor varkenshouderijen en vleeskalverenhouderijen geen beperkingen wat betreft hun uitbreidingsmogelijkheden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2° en onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
2.Met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3841, rechtsoverweging 7.4.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3334, rechtsoverweging 2.5.
5.Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
6.Het aantal grootvee-eenheden (GVE) op een bedrijf is de optelsom van het aantal melkkoeien en vrouwelijk jongvee op het bedrijf, omgerekend naar de fosfaatproductie van één melkkoe. De fosfaatproductie van één melkkoe is op 1 gesteld.
8.In de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2465, rechtsoverweging 7.1., staat dat deze norm slechts indicatief is omdat hij niet is vastgelegd in de verordening.
9.Verordening (EG) nr. 1200/2009 van de commissie van 30 november 2009 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1166/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw met betrekking tot de coëfficiënten voor de grootvee-eenheden en de definities van de kenmerken.
10.In artikel 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 1200/2009 staat dat: De coëfficiënten voor de grootvee-eenheden die met het oog op de toepassing van de dekkings- en nauwkeurigheidseisen gebruikt moeten worden voor de communautaire landbouwstructuurenquêtes en voor de enquête naar de productiemethoden in de landbouw, zijn uiteengezet in bijlage I.