Uitspraak
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2] , VENNOOT VAN [gedaagde sub 1],
3.
[gedaagde sub 3] , VENNOOT VAN [gedaagde sub 1],
Rechtbank Gelderland
In deze civiele zaak staat centraal of de restutieplicht van een waarborgsom in een onderhuurovereenkomst overgaat op de verkrijgende partij na contractsoverneming. De oorspronkelijke huurovereenkomst werd in 2008 gesloten en de hoofdverhuurder ging in 2018 failliet. Na het faillissement nam een curator een nieuwe hoofdhuurder aan, die in 2022 werd overgenomen door eiseres.
Gedaagden zegden de huur op en vorderden terugbetaling van de waarborgsom, terwijl eiseres betaling van de laatste huurtermijnen vorderde. De rechtbank oordeelde dat de onderhuurovereenkomst niet was beëindigd na het faillissement en dat alle rechten en plichten, inclusief de verplichting tot terugbetaling van de waarborgsom, zijn overgegaan op de opvolgende verhuurder en uiteindelijk op eiseres.
Verder stelde de rechtbank vast dat gedaagden voldoende hadden onderbouwd dat de waarborgsom was betaald, ondanks het ontbreken van fysieke betalingsbewijzen. De vordering van eiseres tot betaling van de huurtermijnen werd afgewezen omdat deze reeds waren verrekend met de waarborgsom. Eiseres werd veroordeeld tot betaling van het restant van de waarborgsom, wettelijke rente en incassokosten, en in de proceskosten.
Uitkomst: Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van het restant van de waarborgsom met rente en incassokosten, en de proceskosten.