Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Den Haag, de inspecteur,
Inleiding
Feiten
Nieuw inzicht belanghebbende nadat het hoorgesprek heeft plaatsgevonden
Beoordeling door de rechtbank
2. De belastingkorting bedraagt een percentage [3] van het nog niet verrekende verlies.
3. De inspecteur stelt het bedrag van de belastingkorting vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 4.50, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
(…).”
kan overigens ook later plaatsvinden(cursivering door de rechtbank). Indien een belastingplichtige na het beëindigen van zijn aanmerkelijkbelangpositie aanvankelijk afziet van omzetting van een onverrekend gebleven aanmerkelijkbelangverlies in een belastingkorting in de verwachting dat verrekening in box II eerder effect zal hebben maar in een later jaar een andere afweging maakt,
verzet de wettekst zich er niet tegen dat op een later tijdstip alsnog wordt gekozen voor omzetting(cursivering door de rechtbank) van een onverrekend gebleven aanmerkelijk- belangverlies in een belastingkorting.”
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep dat betrekking heeft op de verminderingsbeschikking ongegrond (zaaknummer ARN 22/4160);
- verklaart het beroep dat betrekking heeft op de beschikking belastingkorting gegrond (zaaknummer ARN 22/2841);
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de beschikking belastingkorting;
- wijzigt de beschikking belastingkorting zodanig dat de belastingkorting € 82.274 (26,25% van € 313.423) bedraagt waarvan € 36.337 in mindering gebracht kan worden op de vanaf 2020 tot en met uiterlijk 2025 verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning en € 45.937 op de vanaf 2020 tot en met uiterlijk 2026 verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning;
- veroordeelt de Staat om aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade van € 500 te betalen;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 2.807,50;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.