De zaak betreft een civiele procedure tussen een studente en haar vader. De studente stelt dat haar vader met gebruikmaking van haar Digid geld heeft geleend van DUO, dat op zijn bankrekening is gestort. Na ontdekking van deze handelwijze hebben partijen mondeling afgesproken dat het bedrag als een geldlening van de studente aan haar vader geldt, terug te betalen in 24 maandelijkse termijnen.
De vader betwist het gebruik van de Digid en de overeenkomst van geldlening, maar heeft dit niet onderbouwd. De rechtbank neemt daarom aan dat het gebruik van de Digid heeft plaatsgevonden en dat de overeenkomst van geldlening is gesloten. De studente vordert betaling van €25.205,16, verminderd met betaalde collegegeld en ziektekostenpremie, plus wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
De rechtbank wijst de vordering toe, met wettelijke rente vanaf 6 juli 2023, en veroordeelt de vader tot betaling van incassokosten en proceskosten. De vordering wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.