ING Bank verstrekte in 2011 een kredietfaciliteit aan Better Life en andere vennootschappen, waarbij [gedaagde partij] zich borg stelde voor €50.000. Na het faillissement van Better Life in 2013 en het niet volledig voldoen van de vordering, vorderde ING betaling van de borgstelling van [gedaagde partij].
[gedaagde partij] betwistte de vordering onder meer wegens verjaring, omdat zij meende dat ING geen geldige stuiting had verricht na 2013. ING stelde dat de verjaring was gestuit door erkenning en een sommatie-exploot in 2020. De rechtbank stelde vast dat [gedaagde partij] in 2017 en 2018 schriftelijk had erkend dat zij de borgtocht verschuldigd was, waardoor de verjaring werd gestuit. Ook het sommatie-exploot voldeed aan de wettelijke eisen voor stuiting.
Verder oordeelde de rechtbank dat ING geen afstand had gedaan van haar vorderingsrecht, ondanks correspondentie waarin een mogelijke beperking van aanspraak werd besproken. De rechtbank veroordeelde [gedaagde partij] tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente vanaf 1 november 2013, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.