Art. 3:40 BWArt. 3:51 lid 2 BWArt. 4.15 lid 1 sub a Aanbestedingswet 2012
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Prejudiciële vragen over rechtsgeldigheid en gevolgen Didam-arrest voor voorkeursrecht en koopovereenkomsten
In deze procedure tussen VABO Ontwikkeling B.V. en de gemeente West Betuwe staat centraal of door de overheid gesloten privaatrechtelijke koopovereenkomsten, waaronder voorkeursrechten, die niet conform de regels uit het Didam-arrest tot stand zijn gekomen, nietig, vernietigbaar of rechtsgeldig zijn.
De rechtbank heeft in een tussenvonnis partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Hoewel VABO bezwaren heeft tegen het stellen van deze vragen, erkent zij het belang ervan. De gemeente onderschrijft het voornemen.
De rechtbank acht het noodzakelijk prejudiciële vragen te stellen omdat de huidige procedure specifieke vragen bevat die mogelijk onvoldoende door het aanhangige cassatieberoep worden behandeld. De vragen betreffen onder meer de rechtsgevolgen van het Didam-arrest voor overeenkomsten gesloten vóór 26 november 2021, de afweging tussen het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en de mogelijkheid van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de vragen geformuleerd en enkele aanpassingen op verzoek van partijen doorgevoerd. De zaak wordt aangehouden en verwezen naar de parkeerrol op 2 oktober 2024. Het vonnis is gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.
Uitkomst: De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en houdt de verdere beslissing aan.
Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/421809 / HA ZA 23-306
Vonnis van 17 juli 2024
in de zaak van
VABO ONTWIKKELING B.V.,
te Culemborg,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: VABO,
advocaten: mr. W.J. Bosma en mr. P. Ligtenberg,
tegen
GEMEENTE WEST BETUWE,
te Geldermalsen,
verwerende partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. J. van de Riet.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 mei 2024 - de akte van VABO - de akte van de gemeente.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis van 29 mei 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:3314) zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen alsmede over de inhoud van de voorgestelde prejudiciële vragen.
Het al dan niet stellen van prejudiciële vragen
2.2.
Vabo heeft bezwaren tegen het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, maar ziet op zichzelf het belang er wel van in. Zij verwijst naar de conclusie van advocaat-generaal Snijders van 24 mei 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:567) waarin hij de Hoge Raad adviseert om in te gaan op de vragen die leven over de sancties van het handelen in strijd met de uitgangspunten uit het Didam-arrest, zelfs als het cassatieberoep daartoe niet noopt. De gemeente onderschrijft het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat er belang is bij het stellen van prejudiciële vragen en zal daartoe beslissen. De reden daarvoor is dat de vragen in deze procedure specifieker zijn geformuleerd en dat het risico bestaat dat de beslissing van de Hoge Raad in het aanhangige cassatieberoep onvoldoende handvatten biedt om te beslissen in de onderhavige procedure. Als vervolgens alsnog prejudiciële vragen dienen te worden gesteld, levert dat de nodige vertraging op.
De prejudiciële vragen
2.4.
Vabo heeft inhoudelijke opmerkingen bij drie vragen en ziet graag een vraag toegevoegd. De rechtbank zal vraag 2 onder c aanpassen zoals door Vabo voorgesteld en hieronder in het dictum verwerkt. Het betreft een aanvulling betreffende een koopoptie. Ook vragen 3 en 7 worden aangepast conform het voorstel van Vabo, nu dit naar het oordeel van de rechtbank inderdaad een verduidelijking oplevert. Het betreft het toevoegen van aanvullende gedragingen/handelingen die gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt.
2.5.
Vabo wil een vraag toegevoegd zien, namelijk of de omstandigheid dat (voor 26 november 2021) een (koop)overeenkomst is gesloten, niet al met zich brengt dat de partij met wie een (koop)overeenkomst is gesloten een dermate unieke (rechts)positie heeft, dat die partij alleen al daarom als enige serieuze gegadigde moet worden aangemerkt. De rechtbank zal deze vraag niet toevoegen, omdat deze al is vervat in vraag 2c en optie 1d.
2.6.
De gemeente suggereert twee aanvullingen en kan zich verder vinden in de geformuleerde vragen. De rechtbank zal één suggestie overnemen. Het betreft een aanvulling in de aanhef van vraag 1 die betrekking heeft op een aanbiedingsplicht / voorkeursrecht van koop, welke suggestie hieronder in het dictum is verwerkt.
2.7.
De voorgestelde aanvulling bij vraag 1c zal de rechtbank niet overnemen. Het betreft een voorgestelde toevoeging aan het slot die luidt:
…, en geldt in geval van aanbestedingen daarbij als voorwaarde dat gezien artikel 3:51 lid 2 BWPro alleen een contractspartij er een beroep op kan doen,
Naar het oordeel van de rechtbank is deze aanvullende vraag reeds vervat in vraag 6.
2.8.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3.De beslissing
De rechtbank
3.1.
stelt de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen:
1. Zijn door de overheid gesloten privaatrechtelijke (koop)overeenkomsten, waaronder begrepen een overeengekomen aanbiedingsplicht (voorkeursrecht van koop), met betrekking tot onroerende zaken, die niet conform de in het Didam-arrest genoemde regels tot stand zijn gekomen:
a. nietig op grond van 3:40 lid 1 BW, en zo ja, is daarvoor een gekwalificeerde schending nodig,
c. vernietigbaar op grond van artikel 3:40 lid 2 BWPro en/of naar analogie van artikel 4.15 lid 1 sub a Aanbestedingswet 2012, of
d. rechtsgeldig?
2. Maakt het voor de beantwoording van vraag 1 uit en zo ja, in welke zin, of sprake is van:
a. een situatie waarin een koopovereenkomst tot stand is gekomen en de levering heeft plaatsgevonden voordat het Didam-arrest werd gewezen,
b. een situatie waarin een koopovereenkomst tot stand is gekomen en de levering plaats heeft gevonden nadat het Didam-arrest werd gewezen,
c. een situatie waarin een koop(optie)overeenkomst respectievelijk een recht van koop is overeengekomen voordat het Didam-arrrest werd gewezen en die verbintenissen na 26 november 2021 nog niet hebben geresulteerd in een aanvaarding van het onherroepelijke aanbod dat in de koopoptie besloten ligt, dan wel een levering respectievelijk een aanbod tot koop?
3. Maakt het ten aanzien van (koop)overeenkomsten die gesloten zijn voor 26 november 2021 voorts verschil of het overheidslichaam bij haar wederpartij, los van het feit dat er een (koop)overeenkomst is gesloten, (andere) handelingen en/of toezeggingen heeft gedaan op grond waarvan het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat (alleen) aan deze partij zou worden (verkocht en) geleverd?
4. Als het antwoord op vraag 3 bevestigend is: hoe dient een afweging gemaakt te worden tussen enerzijds het gelijkheidsbeginsel (dat het overheidslichaam bij het aangaan van de overeenkomst heeft geschonden jegens (potentiële) gegadigden) en anderzijds het vertrouwensbeginsel (dat in geval van nietigverklaring dan wel vernietiging door het overheidslichaam wordt geschonden jegens de partij bij de overeenkomst die dateert van voor 26 november 2021)?
5. Is bij de beantwoording van vraag 4 relevant of het overheidslichaam aanbiedt de schade voortvoeiend uit het geschonden vertrouwen te vergoeden, en op welke wijze kan dat in de belangenafweging worden verdisconteerd?
6. Indien het antwoord op vraag 1 luidt dat de overeenkomst vernietigbaar is, wie kunnen een beroep op vernietigbaarheid doen, de contractspartijen en/of derden?
7. Bestaat er, in het geval een voor 26 november 2021 gesloten (koop)overeenkomst nietig of vernietigbaar is omdat de in het Didam-arrest neergelegde regels niet zijn gevolgd, grond voor het toekennen van schadevergoeding aan de wederpartij van het overheidslichaam, indien die nietigheid of vernietigbaarheid van de (koop)overeenkomst tot gevolg heeft dat het overheidslichaam de met de wederpartij gesloten (koop)overeenkomst niet nakomt, of zijn er om aanspraak te kunnen maken op schadevergoeding van het overheidslichaam extra handelingen en/of toezeggingen nodig op grond waarvan de wederpartij mocht vertrouwen op nakoming van de (koop)overeenkomst?
3.2.
bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van dit vonnis en van het tussenvonnis van 29 mei 2024 aan de Hoge Raad zendt;
3.3.
bepaalt dat de griffier afschriften van de andere op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de Hoge Raad zendt;
3.4.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van 2 oktober 2024;
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks, mr. G.J. Meijer en mr. L.J. de Kerpel-van de Poel, bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste rechter en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.