Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:4221

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 juni 2024
Publicatiedatum
5 juli 2024
Zaaknummer
10635193
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:57 BWArt. 7:58 lid 1 BWArt. 7:63 BWArt. 7:73 lid 2 BWArt. 3:40 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging kredietovereenkomst en toewijzing deelvordering wegens onverschuldigde betaling

In deze civiele procedure vordert ING Bank betaling van een openstaand saldo dat voortkomt uit een vermeende ongeoorloofde roodstand op een betaalrekening van de gedaagde. De rechtbank constateert dat tussen partijen een kredietovereenkomst is gesloten via een Studenten Creditcard met een kredietlimiet van €1.000,00. Deze kredietovereenkomst moet ambtshalve worden getoetst aan de wettelijke vereisten van titel 7.2A BW.

ING heeft nagelaten te bewijzen dat zij heeft voldaan aan de informatieplichten en de kredietwaardigheidstoets, zoals vereist bij kredietverlening aan consumenten. Hierdoor is sprake van een schending van regels die van openbare orde zijn. De rechtbank vernietigt daarom de kredietovereenkomst met terugwerkende kracht, waardoor de grondslag voor de vordering komt te vervallen.

Omdat de vordering haar oorsprong vindt in deze kredietovereenkomst, kan ook niet worden volstaan met de betaalrekening als rechtsgrond. De situatie leidt tot onverschuldigde betaling, zodat de gedaagde slechts gehouden is het daadwerkelijk ontvangen bedrag terug te betalen, exclusief rente en kosten uit de vernietigde overeenkomst. De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van €1.454,42, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden, en veroordeelt de gedaagde in de proceskosten.

Uitkomst: De kredietovereenkomst wordt vernietigd en de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.454,42 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10635193 \ CV EXPL 23-5276
Vonnis van 19 juni 2024
in de zaak van
ING BANK N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ING,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 september 2023 en het daarin vermelde processtuk,
- de akte uitlaten van ING, tevens houdende vermeerdering van eis,
- het exploot van 28 november 2023 waarmee het tussenvonnis, de akte en de brief van de kantonrechter waarin uitstel was verleend voor het betekenen van de akte, aan [gedaagde] zijn betekend.
1.2.
Bij tussenvonnis is ING bevolen om de stellingen in de dagvaarding nader toe te lichten, zodat de kantonrechter in staat is om te beoordelen of de vordering onrechtmatig of ongegrond is en daarbij te beslissen of er aanleiding is om het Europees consumentenrecht ambtshalve toe te passen. ING heeft vervolgens bij akte op het tussenvonnis gereageerd. Daarnaast heeft zij [gedaagde] bij exploot opgeroepen op woensdag 6 december 2023 te verschijnen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [gedaagde] verstek verleend.
2.2.
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 13 september 2023. In dat tussenvonnis is overwogen dat de dagvaarding onvoldoende informatie bevat en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv Pro. In het bijzonder is navraag gedaan omtrent de stelling van ING dat geen sprake is van een kredietovereenkomst, geoorloofde debetstand of overschrijding.
2.3.
Bij akte heeft ING nadere informatie verschaft. ING stelde bij dagvaarding dat tussen partijen een overeenkomst tot het openen en aanhouden van een bankrekening was gesloten (betaalrekening) en dat daarop art. 7:63 BW Pro niet van toepassing was. Het betrof namelijk een betaalrekening zonder kredietruimte. Daarop was volgens ING een roodstand ontstaan, zonder dat ING daar toestemming voor had verleend (ongeoorloofde roodstand). Nu, bij akte, geeft ING aan dat [gedaagde] op 11 februari 2022 een Studenten Creditcard is verstrekt, zonder gespreid betalen, met een limiet van € 1.000,00. ING heeft ook aanvullende producties (de creditcardovereenkomst, de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden e.d.) overgelegd die zien op deze aanvullende informatie.
2.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter is door de verstrekking van de creditcard met een limiet van € 1.000,00 op 11 februari 2022 een kredietovereenkomst tot stand gekomen die ambtshalve getoetst moet worden. Dit wordt hierna toegelicht.
2.5.
Volgens artikel 7:57 BW Pro is een kredietovereenkomst een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit. In het onderhavige geval heeft [gedaagde] krediet verkregen in de vorm van uitstel van betaling, nu zij met haar creditcard bedragen kon opnemen die zij niet direct terug hoefde te betalen. De creditcardovereenkomst is dus een kredietovereenkomst, zodat op grond van artikel 7:58 lid 1 BW Pro titel 7.2A BW van toepassing is. Dit betekent dat de creditcardovereenkomst ambtshalve zal worden getoetst, in het bijzonder ten aanzien van de naleving door ING van de informatieplichten uit titel 7.2A BW en de kredietwaardigheidstoets.
2.6.
Weliswaar is aan de vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van een ongeoorloofde roodstand op een betaalrekening, maar in de kern vindt die ongeoorloofde roodstand haar oorsprong in de creditcardovereenkomst. De door ING toegepaste constructie komt er immers op neer dat het openstaande saldo van bestedingen die met de creditcard zijn gedaan (eigenlijk louter administratief) is overgeheveld naar de betaalrekening van [gedaagde] . Hoewel een roodstand op die rekening volgens ING niet is toegelaten, vindt de overheveling toch ook plaats als het saldo op de betaalrekening niet toereikend is om de verschuldigde bedragen te voldoen. Een aldus ontstane roodstand op de betaalrekening is daarmee in wezen niets anders dan een betalingsachterstand met betrekking tot de creditcard (en zou ING betaling van die achterstand vorderen, dan zou ook ambtshalve toetsing van de creditcardovereenkomst plaatsvinden). Het is niet de bedoeling de ambtshalve toetsing - en de daarmee beoogde consumentenbescherming - te omzeilen door voor de constructie te kiezen die ING gebruikt. Zoals in het tussenvonnis van 13 september 2023 ook is overwogen, is dat vastgelegd in artikel 7:73 lid 2 BW Pro.
2.7.
ING is, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, in haar akte niet ingegaan op de vraag of is voldaan aan de informatieverplichtingen uit voormelde titel en/of de kredietwaardigheidstoets. Ze heeft, integendeel, expliciet aangegeven ervoor te kiezen geen aanspraak te maken op de contractuele debetrente en daarom niet uiteen te zetten dat is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichting, waaronder de kredietwaardigheidstoets. Daarom zal worden aangenomen dat ING de informatieverplichtingen niet heeft nageleefd en geen kredietwaardigheidstoets heeft uitgevoerd. Dit heeft de volgende consequenties.
2.8.
Bepalingen van nationaal recht die consumenten beschermen en voortvloeien uit (een omzetting van) Europese richtlijnen moeten worden gelijkgesteld aan regels die naar nationaal recht van openbare orde zijn. Dat betekent dat in dit geval niet is voldaan aan een regel die is gelijkgesteld aan een regel van openbare orde. De kantonrechter vernietigt daarom ambtshalve de creditcardovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro. Dat heeft tot gevolg dat de creditcardovereenkomst geen grondslag kan vormen voor de vordering van ING. Omdat de vordering in de kern steeds haar oorsprong is blijven houden in de creditcardovereenkomst (de administratieve overheveling van de betalingsachterstand naar de betaalrekening maakt dit niet anders), kan - anders dan ING betoogt - in de betaalrekening evenmin een grondslag voor de vordering van ING worden gevonden.
2.9.
Door de terugwerkende kracht van de vernietiging (artikel 3:53 BW Pro) is sprake van een situatie waarin ING (achteraf bezien) zonder rechtsgrond aan [gedaagde] een geldbedrag (te weten het totaal van de onbetaald gebleven creditcardbestedingen) beschikbaar heeft gesteld. Daarom moet [gedaagde] dat geldbedrag terugbetalen op grond van artikel 6:203 BW Pro (onverschuldigde betaling), zij het uiteraard slechts voor zover zij dat bedrag niet (tussentijds) al heeft terugbetaald. Verder geldt dat [gedaagde] geen rente en kosten op grond van de vernietigde creditcardovereenkomst is verschuldigd (geworden). Voor zover al betaalde bedragen in mindering zijn gebracht op rente en kosten, zullen zij in mindering worden gebracht op de terug te betalen creditcardbestedingen.
2.10.
Bij dagvaarding had ING gesteld dat haar vordering € 1.535,05 bedroeg en had zij haar vordering vervolgens tot € 500,00 beperkt. Zij maakte aanspraak op een bedrag van
€ 1.498,43 aan hoofdsom (inclusief contractuele rente) en € 36,62 aan verschenen wettelijke rente vanaf 5 september 2022 tot de datum van de dagvaarding. Bij akte heeft ING haar vordering vermeerderd, in de zin dat ze haar vordering niet langer beperkt, maar ook verminderd, in de zin dat ze de contractuele rente (€ 44,01) en de verschenen wettelijke rente uit de vordering heeft gehaald. Ze vordert nu een bedrag van € 1.454,42. Dat bedrag wordt toegewezen. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na heden.
2.11.
Gelet op de uitkomst van de procedure zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief de nakosten). De proceskosten van ING worden vastgesteld op:
- kosten dagvaarding
130,49
- griffierecht
322,00
- salaris gemachtigde
204,00 (1 x 204,00)
- nakosten
102,00 (plus de betekeningskosten zoals in de beslissing zal worden vermeld)
Totaal
758,49
De akte van ING blijft voor haar eigen rekening.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.454,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na heden,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van vastgesteld op € 758,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2024.
676 \ 61512