In deze civiele procedure vordert ING Bank betaling van een openstaande kredietfaciliteit die gedaagde had op haar betaalrekening. Aanvankelijk stelde ING dat sprake was van een betaalrekening zonder kredietruimte, maar erkende later dat er een doorlopend krediet met een limiet van €1.000 was overeengekomen. Omdat gedaagde niet voldeed aan de verplichting om minimaal één dag per kwartaal een positief saldo te hebben, werd de kredietfaciliteit beëindigd en ontstond een ongeoorloofde debetstand.
De rechtbank toetste de vordering aan het Europees consumentenrecht en overwoog dat vernietiging van de kredietovereenkomst mogelijk is, waarbij gedaagde alleen de hoofdsom hoeft terug te betalen zonder rente of kosten. ING wijzigde haar vordering meerdere malen, waarbij uiteindelijk alleen een bedrag van €761,31 aan hoofdsom werd gevorderd, exclusief rente en kosten.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis, en tot betaling van proceskosten van €789,99. Partijen hebben inmiddels een betalingsregeling getroffen, waarbij ING afziet van tenuitvoerlegging zolang gedaagde aan de betalingsverplichting voldoet. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde is afgewezen.