De ouders zijn gezamenlijk gezagdragers over hun vijf minderjarige kinderen, waarvan vier uit hun huwelijk en één geboren na de echtscheiding. Na hun scheiding in 2020 verschillen zij van mening over de schoolkeuze voor hun dochter [de minderjarige 4] vanwege uiteenlopende geloofsovertuigingen. De moeder wil haar dochter inschrijven op een reformatorische basisschool waar ook twee van haar andere kinderen naar school gaan, mede om praktische redenen.
De vader verzet zich hiertegen en verzoekt om vervangende toestemming om de dochter in te schrijven op een christelijke basisschool met een minder streng gelovig beleid, die beter aansluit bij zijn leefwereld. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de rechtbank om het verzoek van de vader toe te wijzen, omdat het kind anders in een identiteitsconflict kan raken.
De rechtbank weegt het belang van het kind, waarbij het welzijn en de identiteitsontwikkeling centraal staan en niet de specifieke geloofsrichting. Gezien de verschillende leefwerelden van de ouders acht de rechtbank het beter dat het kind naar de school gaat die het beste bij beide ouders aansluit. De praktische bezwaren van de moeder worden onvoldoende onderbouwd geacht. De rechtbank verleent daarom de vader vervangende toestemming en wijst het verzoek van de moeder af.