De ouders vorderen in de hoofdzaak dat hun zoon de woning aan een adres verlaat en dat hij zich niet op en rondom de straat mag begeven. Zij vragen in het incident om een voorlopige voorziening om dit bevel en verbod alvast uit te spreken voor de duur van de bodemprocedure. De ouders stellen dat hun zoon agressief gedrag vertoont, onder meer hun moeder heeft geslagen, spullen en geld heeft gestolen, en de thuissituatie onhoudbaar is geworden. De zoon erkent het verlaten van de woning en woont elders, betwist enkele beschuldigingen en stelt dat hij inmiddels werkt.
De rechtbank overweegt dat de zoon de woning inmiddels heeft verlaten en dat er onvoldoende grond is om hem bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden zich op en rondom de straat te begeven. De ernst van het verleden geweld en de onhoudbare situatie rechtvaardigen geen straat- en contactverbod. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familieband.
In de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling gepland om nadere inlichtingen te verkrijgen, partijen te horen en de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.