ECLI:NL:RBGEL:2024:4657
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gebrek aan steunbewijs bij beschuldiging seksueel misbruik stiefdochter
De rechtbank Gelderland heeft verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde seksueel misbruik van zijn minderjarige stiefdochter in de periode van 2014 tot 2019. Het bewijs bestond voornamelijk uit de verklaringen van het slachtoffer, zonder dat er voldoende steunbewijs uit andere bronnen was. De rechtbank oordeelde dat het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet was gehaald.
De officier van justitie had een gevangenisstraf van vijf jaar gevorderd, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. Getuigenverklaringen van de moeder en grootmoeder van het slachtoffer konden niet als steunbewijs worden aangemerkt, omdat deze verklaringen afkomstig waren uit dezelfde bron als het slachtoffer of te ver verwijderd waren van het tenlastegelegde.
Daarnaast was er een civiele vordering tot smartengeld van €15.000,- ingediend namens het slachtoffer. Omdat de strafrechtelijke bewezenverklaring ontbrak, werd deze vordering niet-ontvankelijk verklaard en droegen partijen ieder hun eigen proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland op 21 juni 2024, na een openbare terechtzitting op 7 juni 2024. De voorzitter was mr. J. Steenbrink, bijgestaan door mr. M.J. Ouweneel en mr. W.H.S. Duinkerke.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs voor het ten laste gelegde seksueel misbruik.