Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:4690

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
19 juli 2024
Zaaknummer
C/05/431406 / HA RK 24-21
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 474g RvArt. 282a RvArt. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoeker niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige betaling griffierecht bij verzoek tot verkoop aandelen

Verzoeker diende op 24 januari 2024 een verzoekschrift in tot het verlenen van verlof tot verkoop van aandelen na executoriaal beslag, zoals bedoeld in artikel 474g Rv. De rechtbank stelde verzoeker en belanghebbenden op 19 april 2024 op de hoogte van een hoorzitting op 27 mei 2024.

Op 23 mei 2024 attendeerde de rechtbank verzoekers advocaat, mr. Van Gastel, erop dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig was ontvangen en dat dit in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek. Verzoeker kreeg twee weken de tijd om hier schriftelijk op te reageren, maar er werd geen reactie ontvangen.

De rechtbank overwoog dat het griffierecht niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken na indiening was betaald, zoals vereist in artikel 3 lid 4 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken. De advocaat had tijdig actie moeten ondernemen om betaling te waarborgen. Er waren geen omstandigheden die een onbillijkheid van overwegende aard rechtvaardigden om af te wijken van niet-ontvankelijkheid.

Daarom verklaarde de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot verkoop van aandelen. De beschikking werd gegeven door mr. E. Boerwinkel en op 25 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rekestnummer: C/05/431406 / HA RK 24-21
Beschikking van 25 juni 2024
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] , [gemeente] ,
verzoeker,
advocaat mr. M.C. van Gastel te Amsterdam-Duivendrecht,
procederend krachtens toevoeging, met nummer 4PU0757,
en

1.[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[belanghebbende 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3.
[belanghebbende 3],
kantoorhoudende te [plaats] ,
belanghebbenden.

1.De beoordeling

1.1.
Het verzoekschrift, dat strekt tot het verlenen van verlof tot verkoop van aandelen na executoriaal beslag, als bedoeld in artikel 474g Rv, is gedateerd op 24 januari 2024.
1.2.
Bij brief van 19 april 2024 heeft de rechtbank verzoeker (p/a mr. Van Gastel) en de belanghebbenden opgeroepen voor een hoorzitting op 27 mei 2024.
1.3.
Bij brief van 23 mei 2024 heeft de rechtbank mr. Van Gastel, kort gezegd, onder verwijzing naar artikel 282a Rv, erop geattendeerd dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is ontvangen en dat dit in beginsel ertoe leidt dat verzoeker in zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. De rechtbank heeft mr. Van Gastel gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld om daarop schriftelijk te reageren. De rechtbank heeft van mr. Van Gastel geen reactie ontvangen.
1.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat voor de indiening van het verzoekschrift griffierecht is verschuldigd. Verzoeker heeft het verschuldigde griffierecht niet binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift betaald, zoals is voorgeschreven in artikel 3 lid 4 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Een advocaat dient op grond van zijn/haar deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure op de hoogte te zijn van de in genoemd wetsartikel genoemde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Mr. Van Gastel had, teneinde te zorgen voor tijdige betaling van het griffierecht, tijdig actie kunnen en moeten ondernemen om in het bezit te komen van de voor de betaling benodigde gegevens (Hoge Raad 10 februari 2011, LJN BU5603). Voorts zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat niet-ontvankelijkverklaring, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, zoals bedoeld in artikel 282a lid 4 Rv.
1.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek.

2.De beslissing

De rechtbank
2.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op
25 juni 2024.