ECLI:NL:RBGEL:2024:4752

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 juli 2024
Publicatiedatum
23 juli 2024
Zaaknummer
C/05/438415 / JE RK 24-716
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 7 lid 1 Verordening (EU) 2019/1111Art. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgbeslissing spoeduithuisplaatsing met nadruk op netwerkonderzoek en gedeeltelijke toewijzing

De rechtbank Gelderland heeft op 18 juli 2024 een mondelinge beschikking uitgesproken betreffende een vervolg op de spoeduithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen. De gecertificeerde instelling (GI) had eerder een machtiging tot uithuisplaatsing verkregen voor vier weken, welke nu is verlengd tot vier maanden. De GI gaf aan dat gezamenlijke uithuisplaatsing niet haalbaar is, omdat de oudste kinderen waarschijnlijk op een jeugdgroep worden geplaatst en het jongste kind in een gezinshuis.

De moeder voerde verweer tegen de uithuisplaatsing, stellende dat de aanleiding een miscommunicatie was omtrent een vermeend vertrek naar Turkije, wat niet haar intentie was. Zij benadrukte dat het netwerk kan bijspringen en dat zij openstaat voor hulp, hoewel de wisseling van hulpverleners recentelijk belastend was. De kinderrechter erkent deze standpunten maar acht de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.

De rechter wijst het verzoek tot uithuisplaatsing gedeeltelijk toe vanwege het belang dat de kinderen niet los van elkaar worden geplaatst. Tegelijkertijd wordt het overige deel van het verzoek aangehouden. De GI wordt opgedragen een netwerkonderzoek uit te voeren en de mogelijkheden van een netwerkplaatsing te onderzoeken, mede gelet op het culturele belang voor de kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor vier maanden met gedeeltelijke toewijzing en aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/438415 / JE RK 24-716
Datum mondelinge uitspraak: 18 juli 2024
Beschikking van de kinderrechter over een vervolg spoeduithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S.O. Zengin te 's-Gravenhage.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling:
  • de beschikking van 11 juli 2024 en de daarin genoemde stukken;
  • het plan van aanpak van de GI van 15 juli 2024.
1.2.
De kinderrechter heeft bij bovenvermelde beschikking een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 8 augustus 2024. De beslissing op het overige deel van het verzoek tot uithuisplaatsing (voor de duur van de ondertoezichtstelling) is aangehouden tot de mondelinge behandeling van 18 juli 2024.
1.3.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juli 2024. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • twee hulpverleners van de moeder verbonden aan de instantie Yes & You;
- twee vertegenwoordigers van de GI.

2.Het standpunt van de GI

2.1.
De GI geeft aan dat een uithuisplaatsing nog noodzakelijk is, omdat de moeder niet de zorg kan bieden aan de kinderen die nu nodig is. Wel is er sinds de uithuisplaatsing beter zicht op het netwerk van de moeder en wordt er in samenspraak met hen gekeken naar mogelijkheden om haar te ondersteunen. De vader en zijn netwerk zijn eerder niet betrokken geweest, vanwege een verleden van huiselijk geweld. De GI zal in de komende tijd wel kijken of zij het netwerk kunnen benutten. Los daarvan wordt gekeken naar passende woonplekken voor de kinderen. De oudste twee kinderen zullen waarschijnlijk op een groep worden geplaatst en de jongste in een gezinshuis. Volgens de GI is sinds de uithuisplaatsing het extreme (fysieke) gedrag van de kinderen afgenomen door begrenzing en structuur. De moeder heeft volgens de GI nog onvoldoende inzicht in de problematiek van de kinderen en kan diezelfde begrenzing en structuur nog niet bieden.

3.Het standpunt van de moeder

3.1.
Namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. Volgens de moeder is de aanleiding voor de spoedmachtiging gelegen in miscommunicatie over een voornemen van de moeder om naar Turkije te vertrekken met de kinderen. Dit is echter helemaal niet de intentie van de moeder. De hulpverlening heeft gezien dat de moeder continu de paspoorten van de kinderen bij zich heeft. De moeder heeft toegelicht dat zij dit doet vanwege de medische situatie van de kinderen en zij mogelijk snel moet handelen. Volgens de moeder was er dus geen reden voor een uithuisplaatsing en is die er nog steeds niet. Het netwerk kan immers bijspringen voor de moeder en de moeder staat ook open voor hulp van buiten het netwerk. Die hulp heeft zij ook altijd geaccepteerd, de laatste tijd werd het haar echter erg veel, doordat de betrokkene hulpverleners continu wisselen. Ook zal het contact met de vader weer worden gezocht om te kijken wat voor rol hij kan nemen.

4.De verdere beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Het internationale karakter van de zaak vraagt een ambtshalve beoordeling van de rechtsmacht. De kinderrechter is van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Op grond van de hoofdregel van artikel 7 lid 1 Verordening Pro (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (Brussel II-ter) zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld kinderbeschermingszaken) bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen toen en nu in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd. Om die reden zal op grond van artikel 15 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 ook Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.
De kinderrechter heeft in de vorige beschikking de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier weken en zijn beslissing op het overige deel van het verzoek aangehouden. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing nu voor de duur van vier maanden met (opnieuw) aanhouding van het overige verzochte. De kinderrechter is namelijk van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal hierna uitleggen waarom.
4.3.
De zorgen die staan beschreven in de vorige beschikking van 11 juli 2024 (onder rechtsoverweging 4.2.) zijn nog onverminderd van toepassing. Dat de aanleiding voor de spoeduithuisplaatsing (deels) was gelegen in mogelijke miscommunicatie of verkeerde interpretaties van de acties van de moeder met betrekking tot de paspoorten, maakt de andere zorgen niet minder aanwezig. De kinderrechter vindt wel dat het streven bij een uithuisplaatsing moet zijn dat de kinderen op dezelfde plek verblijven. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat dit niet haalbaar lijkt, omdat de oudste kinderen vermoedelijk op een jeugdgroep terecht komen en het jongste kind juist in een gezinshuis. Tegelijkertijd is gebleken dat het netwerk van de moeder nu meer in beeld komt en bereid is de moeder te ontzien in de zorg en opvoeding van de kinderen waar mogelijk. De kinderrechter wil (indien mogelijk) voorkomen dat de kinderen los van elkaar uit huis worden geplaatst en ziet dat als doorslaggevende reden om het verzoek in dit stadium maar gedeeltelijk toe te wijzen. Wel zal de kinderrechter het verzoek voor het overige aanhouden. In de komende vier maanden zal de GI aan de slag moeten gaan met een netwerkonderzoek en het onderzoeken van de mogelijkheden van een (al dan niet gedeeltelijke) netwerkplaatsing. Daarin weegt de kinderrechter ook mee dat de kinderen mogelijk een cultureel belang hebben bij een dergelijke plaatsing.
4.4.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk één week voor de nieuwe mondelinge behandeling, de kinderrechter en de advocaat van de moeder te updaten over de stand van zaken met betrekking tot het netwerkonderzoek. Ook verneemt de kinderrechter dan graag het standpunt over het resterende deel van het verzoek.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 augustus 2024 tot 8 december 2024;
5.2.
houdt de beslissing over het resterende deel van het verzoek tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot de mondelinge behandeling (bij voorkeur bij mr. van Arem) in de
eerste week van de maand december 2024 (of een nader te bepalen eerdere datum), zoals hiervoor in 4.3. en 4.4. is overwogen;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2024 door
mr. F.G. van Arem, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. G. Vlemmings als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.