Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- het getuigenverhoor van 6 december 2023
2.De verdere beoordeling in de hoofdzaak
Ik ben begonnen met een bureau-onderzoek waarbij ik alle beschikbare informatie op een rij heb gezet. Vervolgens is er een gesprek gekomen met mevrouw. Voorafgaand aan het gesprek heb ik met betrekking tot de claim van mevrouw de volgende stukken ontvangen:
[eis in conv/verw in reconv/eis in inc] heeft immers (anders dan Achmea in haar conclusie na enquête onder randnummer 11 aanvoert) tegenover [naam 1] niet verklaard dat zij inzage heeft gehad in deze nota’s voordat zij deze nota’s na ontvangst daarvan van [naam 2] naar [naam 1] doorstuurde. Met de verklaring van [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] tegenover [naam 1] dat zij heeft gezien dat de bonnen met de hand zijn geschreven door de juwelier, is nog niet gezegd dat [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] heeft gezien wat de juwelier heeft opgeschreven en in welke taal dat is gebeurd.
Het komt dan voor rekening en risico van Achmea dat niet kan worden vastgesteld dat [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] (die dit met klem tegenspreekt) welbewust een onjuiste verklaring heeft afgelegd over de koop van de sieraden en de in dat kader door de juwelier uitgeschreven facturen.
Niet gezegd kan dan ook worden dat [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] bedoelde factuur aan [naam 1] heeft opgestuurd met het opzet om Achmea te misleiden. Daar komt bij dat het voor deze zaak ook niet van belang is dat de inruilwaarde van de BMW niet op de factuur staat vermeld. Dit is hooguit van belang in de relatie tussen [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] en haar ex-partner omdat de auto van [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] in dat geval méér dan € 18.000,-- zou hebben opgebracht en de ex-partner dus te weinig aan [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] heeft betaald.
-onder verwijzing naar artikel 21 Rv Pro- om hieraan de gevolgen te verbinden die zij geraden acht.
Deze overweging had duidelijker mogen zijn. De rechtbank heeft hiermee niet méér bedoeld dan dat Achmea haar weigering om tot uitkering over te gaan in dat geval niet kan baseren op verzekeringsfraude. Maar daarmee is niet gezegd dat Achmea ook op andere gronden niet mocht weigeren om tot uitkering over te gaan.
De hierna te bespreken andere feitelijke grondslag van het verweer van Achmea om niet tot uitkering over te gaan was in het tussenvonnis immers nog niet aan de orde gekomen.
2.37. Achmea voert aan dat op [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] (op grond van artikel 30 van Pro de polisvoorwaarden) de plicht rust om het bezit en de waarde van de als gestolen opgegeven goederen te bewijzen.
Dit heeft Achmea -zekerheidshalve- evenmin gedaan nadat het tussenvonnis was gewezen. Dit, ondanks het feit dat de rechtbank in het tussenvonnis had overwogen dat indien Achmea niet zou slagen in het bewijs van door [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] gepleegde verzekeringsfraude Achmea gehouden is tot vergoeding van de door [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] gestelde inbraakschade.
Dat een dergelijke auto € 18.000,-- heeft opgebracht is niet onaannemelijk.
De rechtbank zal Achmea dan ook veroordelen om het op grond van de polis maximaal verzekerd geldbedrag van € 1.250,-- aan [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] uit te keren.
Dit onderdeel van de vordering wordt dus toegewezen.
[eis in conv/verw in reconv/eis in inc] stelt dat het voor haar door voormelde registraties en de melding bij het CBC onmogelijk is om zich adequaat te verzekeren en zij door het stopzetten van de verzekeringen door Achmea een enorm risico loopt doordat zij onverzekerd is en een eventuele schade onmogelijk zelf kan betalen omdat zij niet veel te besteden heeft.
Onder deze omstandigheden heeft [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] geen rechtens te respecteren belang bij verwijzing naar de schadestaatprocedure. Het tot verwijzing naar de schadestaatprocedure strekkende onderdeel van de vordering wordt dus afgewezen.
.De proceskosten van [eis in conv/verw in reconv/eis in inc] worden begroot op:
De vordering van Achmea wordt dus afgewezen.