Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:499

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 januari 2024
Publicatiedatum
1 februari 2024
Zaaknummer
10746817 \ CV EXPL 23-2959
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor oproeping in vrijwaring in civiel geschil over planologische mededelingen

In deze civiele procedure bij de rechtbank Gelderland vordert gedaagde toestemming om een derde partij, [bedrijf 1], in vrijwaring op te roepen. Gedaagde stelt dat eventuele onjuiste mededelingen over de planologische mogelijkheden van het gehuurde door [bedrijf 1] zijn gedaan, zonder dat gedaagde zelf contact had met eiser.

Eisers betwisten de voorwaardelijkheid van de vordering tot vrijwaring en stellen dat de vordering niet voor alle weren is ingesteld. De kantonrechter oordeelt echter dat de vordering in vrijwaring wel degelijk voor alle weren is ingesteld en dat het voorwaardelijke karakter ziet op het geval dat de hoofdvordering tegen gedaagde slaagt, waarna een regresvordering op [bedrijf 1] ontstaat.

De kantonrechter wijst de vordering toe, geeft gedaagde toestemming om [bedrijf 1] te dagvaarden voor de rolzitting van 16 februari 2024, en veroordeelt eiser in de proceskosten van het incident. De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten wordt afgewezen, maar de wettelijke rente op grond van art. 6:119 BW Pro wordt toegewezen vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Verzoek tot oproeping in vrijwaring toegewezen en eiser veroordeeld in proceskosten van het incident.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 10746817 \ CV EXPL 23-2959
uitspraak van
vonnis in het vrijwaringsincident
in de zaak van

1.[eis sub 1]

wonende te [woonplaats]

2. [eis sub 2]

wonende te [woonplaats]

3. [eis sub 3]

gevestigd te [vestigingsplaats]
eisende partijen in de hoofdzaak
verwerende partij in het incident
gemachtigde mr. T.A. Timmermans
tegen
[gedaagde]
gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagde partij in de hoofdzaak
eisende partij in het incident
gemachtigde mr. A.M. Smetsers
Partijen worden hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 oktober 2023 met producties
- de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke oproeping in vrijwaring, tevens houdende voorwaardelijke reconventionele vordering met producties
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het vrijwaringsincident en de beoordeling daarvan

2.1.
[gedaagde] vordert toestemming [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) op te roepen in vrijwaring.
2.2.
[gedaagde] onderbouwt die vordering als volgt. [eisers] baseert haar vorderingen op de stelling dat door [gedaagde] een onjuiste mededeling is gedaan over de planologische (on)mogelijkheden van het gehuurde. [gedaagde] heeft echter zelf geen contact gehad met [eisers] Dit contact is gelopen via haar makelaar [bedrijf 1] . Voor zover er onjuiste mededelingen zijn gedaan zijn deze eigenmachtig gedaan door [bedrijf 1] en heeft [bedrijf 1] daarmee de door [gedaagde] aan haar verstrekte opdracht overschreden.
2.3.
[eisers] voert tegen de incidentele vordering aan dat deze niet voor alle weren is ingesteld. Bovendien lijkt [gedaagde] een voorwaardelijke vordering in te stellen, terwijl een vordering tot vrijwaring niet voorwaardelijk kan worden ingesteld.
2.4.
De kantonrechter wijst de vordering toe. Hoewel de motivering van de vordering in vrijwaring is gegeven nadat inhoudelijk op de hoofdzaak is ingegaan, is in de conclusie van de conclusie van antwoord (enz.) de vordering in vrijwaring wel degelijk voor de weren ingesteld. Uit de aangevoerde grond volgt dat [gedaagde] belang kan hebben bij de oproeping in vrijwaring. Hoewel [eisers] terecht opmerkt dat een vordering in vrijwaring niet voorwaardelijk kan worden ingesteld, leidt dit niet tot afwijzing van de vordering. De kantonrechter begrijpt het incident zo dat de vordering in vrijwaring geen ander voorwaardelijk karakter heeft dan geldende voor het geval de vordering in de hoofdzaak tegen [gedaagde] slaagt. In de ogen van [gedaagde] ontstaat dan een regresvordering op [bedrijf 1] .
2.5.
De kantonrechter wijst erop dat [gedaagde] er zelf voor moet zorgen dat [bedrijf 1] wordt gedagvaard door een deurwaarder.
2.6.
[eisers] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in het incident betalen.
De wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) is uitsluitend van toepassing op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst, dat wil zeggen de geldelijke tegenprestatie voor de op grond van de handelsovereenkomst geleverde goederen of diensten. De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten wordt dan ook afgewezen. Wel wordt de wettelijke rente van art. 6:119 BW Pro toegewezen over de proceskosten. De rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van betekening van dit vonnis.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
geeft [gedaagde] toestemming [bedrijf 1] in vrijwaring op te roepen;
3.2.
bepaalt dat [gedaagde] [bedrijf 1] kan laten dagvaarden voor de rolzitting van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Nijmegen van 16 februari 2024 om op de eis tot vrijwaring te antwoorden;
3.3.
bepaalt dat [eisers] in de hoofdzaak op dezelfde rolzitting van 16 februari 2024 haar conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie kan nemen;
3.4.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten in het incident, begroot op € 80,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro hierover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis;
3.5.
verklaart de veroordeling onder 3.4. uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op