ECLI:NL:RBGEL:2024:5125
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs bij aanranding in woning
Verdachte werd beschuldigd van aanranding van een vrouw in haar woning waarbij hij haar onder meer bij haar kruis en borsten zou hebben betast. De officier van justitie baseerde zich op de aangifte van het slachtoffer, een DNA-spoor van verdachte op de legging van het slachtoffer en een chatgesprek met het Centrum Seksueel Geweld als steunbewijs.
De verdediging betwistte de aantijgingen en stelde dat het DNA-spoor door secundaire overdracht kon zijn ontstaan en dat het chatgesprek geen onafhankelijk bewijs vormde omdat het uit dezelfde bron als de aangifte kwam. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen te verklaren, mede omdat de geringe hoeveelheid DNA ook op andere wijze op de legging kon zijn gekomen.
De civiele vordering van het slachtoffer tot smartengeld werd afgewezen wegens de vrijspraak. De rechtbank veroordeelde het slachtoffer in de kosten van de verdediging van verdachte tot op heden nihil. De uitspraak werd gedaan door drie rechters op 2 augustus 2024 na een openbare terechtzitting op 19 juli 2024.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs ondanks aanwezigheid van DNA-spoor.