Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
Rechtbank Gelderland
Eisers, eigenaren van bedrijfspanden op een bedrijventerrein, vorderden dat TCE Holding B.V. zou meewerken aan de vestiging van mandeligheid van een toegangsweg op perceel 6512. Volgens eisers was het de bedoeling dat deze weg mandelig zou worden en gezamenlijk beheerd, maar TCE weigerde daaraan mee te werken. Eisers stelden dat zij hinder ondervinden van het gebruik van de toegangsweg door TCE.
TCE betwistte de vordering en stelde dat er geen rechtsgrond bestaat voor de vestiging van mandeligheid, dat zij eigenaar is van de naastgelegen parkeervakken en dat er geen blokkade of hinder is die het gebruik van de toegangsweg door eisers belemmert. Ook voerde TCE aan dat niet alle eigenaren van de betrokken percelen hebben ingestemd met de mandeligheid.
De rechtbank oordeelde dat uit de akte van inbreng van TCE geen verplichting tot medewerking aan mandeligheid kan worden afgeleid en dat eisers onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld ter onderbouwing van hun vordering. Ook kon niet worden vastgesteld dat alle beoogde eigenaren hadden ingestemd met de mandeligheid. Bovendien was onvoldoende gebleken dat TCE het gebruik van de toegangsweg blokkeert of hindert.
Daarom wees de rechtbank de vordering af en veroordeelde eisers in de proceskosten, inclusief wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en op 14 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eisers af wegens ontbreken van rechtsgrond en onvoldoende onderbouwing.