ECLI:NL:RBGEL:2024:532

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 februari 2024
Publicatiedatum
1 februari 2024
Zaaknummer
C/05/428065 / HA ZA 23-500
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:15 BWArt. 4:13 BWArt. 69 RvArt. 71 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing procedure naar kantonrechter voor vaststelling geldvordering in erfrechtzaak

In deze civiele procedure vordert een erfgenaam bij de handelsrechter de vaststelling van de omvang van een geldvordering van de kinderen ten laste van de echtgenoot van de overledene. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 4:15 lid 1 BW Pro een dergelijke vordering bij verzoekschrift aan de kantonrechter moet worden voorgelegd. De procedure is onjuist ingeleid via dagvaarding bij de handelsrechter.

De gedaagden vorderen niet-ontvankelijkheid van de eiser wegens verkeerde procesinleiding en verwijzing van de zaak naar de kamer voor kantonzaken. De rechtbank oordeelt dat de zaak inderdaad moet worden verwezen naar de kantonrechter, locatie Zutphen, en dat de procedure aldaar voortgezet zal worden volgens de verzoekschriftprocedure.

De rechtbank verklaart de vordering tot niet-ontvankelijkheid van de gedaagden in het incident ongegrond, omdat dit verweer in de hoofdzaak door de kantonrechter moet worden beoordeeld. De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident wegens onnodige procedurele fouten. De rechtbank wijst partijen op de mogelijkheid om zonder advocaat op te treden en op de verlaging van het griffierecht.

Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar de kantonrechter en de procedure wordt voortgezet volgens de verzoekschriftprocedure; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/428065 / HA ZA 23-500
Vonnis in incident van 7 februari 2024
in de zaak van
[naam 1],
wonende te [plaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. P. E. Epping te Rotterdam,
tegen

1.[naam 2] ,

2.
[naam 3],
beiden wonende te [plaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat mr. J.W. Damstra te Apeldoorn.
Partijen zullen hierna [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de incidentele conclusie van onbevoegdheid
  • de incidentele conclusie van antwoord tevens akte eiswijziging.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
Partijen zijn erven van de op 17 juli 2017 overleden [betrokkene 1] , vader van [naam 1] en [naam 3] en echtgenoot van [naam 2] . De vordering in de hoofdzaak strekt klaarblijkelijk ertoe op de voet van art. 4:15 jo Pro 4:13 lid 3 BW de omvang van de geldvordering van de kinderen ten laste van de echtgenoot, door de rechtbank te laten vaststellen. Om de rechtbank daartoe in staat te stellen heeft [naam 1] in de hoofdzaak de nevenvorderingen ingesteld dat de rechtbank [naam 2] en [naam 3] zal gelasten c.q. gebieden om inzage, afschrift en/of kopieën te verstrekken van nog nader te bepalen relevante stukken en een notaris en een taxateur zal benoemen. De eiswijziging brengt hierin geen wezenlijke verandering.
2.2.
[naam 2] en [naam 3] vorderen in het incident dat de rechtbank [naam 1] in deze vorderingen ten gronde niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de zaak zal verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van de locatie Arnhem van deze rechtbank. Zij hebben erop gewezen dat een procedure als de onderhavige bij verzoekschrift moet worden ingeleid en aan de kantonrechter moet worden gericht, zoals volgt uit art. 4:15 lid 1 BW Pro.
2.3.
[naam 1] heeft terecht erkend dat de zaak volgens de wet door de kantonrechter in een met een verzoekschrift in te leiden procedure moet worden behandeld en beslist. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [naam 1] voor zijn exhibitievordering geen specifieke wettelijke grondslag heeft genoemd voor de toepassing waarvan een dagvaardingsprocedure is vereist en een dergelijke vordering ook bij verzoekschrift kan worden ingesteld. De rechtbank zal de zaak op de voet van art. 69 en Pro 71 Rv verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank en bepalen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt daar zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. Daarbij is van belang dat [naam 2] en [naam 3] nog niet ten gronde hebben geantwoord en zich ook nog niet over de wijziging van eis hebben kunnen uitlaten. Aan de kantonrechter wordt overgelaten om op de voet van art. 69 lid 1 en Pro 4 Rv zo nodig te bepalen dat [naam 1] de dagvaarding (ter zake van het opgeven van belanghebbenden) moet verbeteren of aanvullen en/of partijen gelegenheid te geven om hun stellingen aan te passen aan de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.
2.4.
De zaak behoort tot de categorie ‘Erfrecht (kanton- en andere zaken, met inbegrip van rekesten)’, die op grond van het Zaaksverdelingsreglement Rechtbank Gelderland (Staatscourant 2017, nr. 10513) wordt behandeld op de zittingsplaats Zutphen van deze rechtbank. De zaak zal dus worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van zittingsplaats Zutphen.
2.5.
De niet-ontvankelijkheid baseren [naam 2] en [naam 3] erop dat zij zijn gedagvaard in hoedanigheid van erfgenamen, terwijl zij gedagvaard hadden moeten worden in hoedanigheid van executeurs en afwikkelingsbewindvoerders. Waarom dat zo zou zijn maken zij niet duidelijk. [naam 1] heeft de gevorderde niet-ontvankelijk verklaring betwist, onder meer op de grond dat [naam 2] en [naam 3] wel degelijk mede in laatstbedoelde hoedanigheid zijn gedagvaard.
2.6.
Wat verder van deze incidentele vordering zij, zij betreft niet een kwestie waarop eerst en vooraf bij wege van incident moet worden beslist, maar een verweer in de hoofdzaak. Het is bovendien aan de bevoegde kantonrechter om dat verweer te beoordelen en te beslissen in de wettelijk voorgeschreven rekestprocedure. De rechtbank zal [naam 2] en [naam 3] daarom in deze incidentele vordering niet-ontvankelijk verklaren. Zij kunnen hun verweer desgewenst bij de kantonrechter opnieuw voeren.
2.7.
[naam 1] zal in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, nu uit het voorgaande volgt dat hij dit incident nodeloos heeft veroorzaakt. Compensatie van de proceskosten vanwege de familierelatie van partijen ligt niet in de rede, omdat de kosten niet zijn gemaakt ter beslechting van hun geschil, maar slechts om fouten van [naam 1] bij de procesinleiding te herstellen.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
verklaart [naam 2] en [naam 3] niet-ontvankelijk in hun tot niet-ontvankelijkheid strekkende vordering,
3.2.
wijst de vordering tot verwijzing toe,
3.3.
veroordeelt [naam 1] in de kosten van het incident, aan de zijde van [naam 2] en [naam 3] tot op heden begroot op € 614,00,
3.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.5.
verwijst de zaak naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Zutphen,
3.6.
bepaalt dat de procedure daar in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure,
3.7.
wijst partijen erop dat de kantonrechter zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
3.8.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.9.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2024.