Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[naam 2] ,
[naam 3],
1.De procedure
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie van onbevoegdheid
- de incidentele conclusie van antwoord tevens akte eiswijziging.
Rechtbank Gelderland
In deze civiele procedure vordert een erfgenaam bij de handelsrechter de vaststelling van de omvang van een geldvordering van de kinderen ten laste van de echtgenoot van de overledene. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 4:15 lid 1 BW Pro een dergelijke vordering bij verzoekschrift aan de kantonrechter moet worden voorgelegd. De procedure is onjuist ingeleid via dagvaarding bij de handelsrechter.
De gedaagden vorderen niet-ontvankelijkheid van de eiser wegens verkeerde procesinleiding en verwijzing van de zaak naar de kamer voor kantonzaken. De rechtbank oordeelt dat de zaak inderdaad moet worden verwezen naar de kantonrechter, locatie Zutphen, en dat de procedure aldaar voortgezet zal worden volgens de verzoekschriftprocedure.
De rechtbank verklaart de vordering tot niet-ontvankelijkheid van de gedaagden in het incident ongegrond, omdat dit verweer in de hoofdzaak door de kantonrechter moet worden beoordeeld. De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident wegens onnodige procedurele fouten. De rechtbank wijst partijen op de mogelijkheid om zonder advocaat op te treden en op de verlaging van het griffierecht.
Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar de kantonrechter en de procedure wordt voortgezet volgens de verzoekschriftprocedure; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.