ECLI:NL:RBGEL:2024:5465

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 augustus 2024
Publicatiedatum
15 augustus 2024
Zaaknummer
178835-22
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:25 SvArt. 13d OpiumwetArt. 40a Regeling tijdelijk verlaten van de inrichtingArt. 10 OpiumwetArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging gijzeling wegens onbehoorlijk overheidshandelen en uitzetting veroordeelde

De rechtbank Gelderland heeft op 14 augustus 2024 een vordering tot machtiging gijzeling afgewezen die was ingediend door het openbaar ministerie in verband met een ontnemingsmaatregel en een maatregel kostenverhaal opgelegd aan de veroordeelde. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen in strijd met de Opiumwet en was tot betaling van een geldbedrag veroordeeld, waarvan slechts een klein deel was voldaan.

Tijdens de procedure bleek dat de veroordeelde inmiddels door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) was uitgezet naar Brazilië en een inreisverbod van twee jaar had gekregen. Tevens was hem op grond van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting een strafonderbreking verleend, onder de voorwaarde dat hij niet terugkeert naar Nederland. De rechtbank constateerde dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en het openbaar ministerie niet op de hoogte waren van deze uitzetting en strafonderbreking.

De rechtbank oordeelde dat het onrechtmatig is om enerzijds de veroordeelde het land uit te zetten en te dreigen met executie van het strafrestant bij terugkeer, en anderzijds een machtiging tot gijzeling te vorderen voor het incassotraject, terwijl de veroordeelde waarschijnlijk niet op de hoogte is van deze procedure en niet kan deelnemen aan de behandeling. Dit wordt gezien als onbehoorlijk overheidshandelen door gebrekkige communicatie tussen overheidsdiensten.

Daarom wees de rechtbank de vordering tot machtiging gijzeling af. De beslissing werd genomen door politierechter F.J.H. Hovens en uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2024.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot machtiging gijzeling af wegens onbehoorlijk overheidshandelen en uitzetting van de veroordeelde.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05/178835-22
raadkamernummer : 24-016159
datum : 14 augustus 2024
Beslissing op vordering tot machtiging gijzeling ex artikel 6:6:25 lid 1 onder Pro b Wetboek van Strafvordering

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],
mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat te 's-Hertogenbosch,
hierna te noemen: de veroordeelde dan wel betrokkene

Feiten

Bij vonnis van 20 april 2023 heeft de rechtbank Gelderland betrokkene veroordeeld wegens het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor feiten als bedoeld in artikel 10 Opiumwet Pro, medeplegen van handelen in strijd met artikel 2 onder Pro B en 2 onder C Opiumwet.
Bij dat vonnis is veroordeelde de maatregel kostenverhaal als bedoeld in artikel 13d Opiumwet opgelegd en is hij veroordeeld tot betaling aan de Staat van € 10.000,0, met bepaling van de maximale duur van de gijzeling op 200 dagen. Het vonnis is onherroepelijk.
De rechtbank heeft aan de veroordeelde bij uitspraak van 20 april 2023 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 3.000,-. Daarbij is bepaald dat de maximale duur van de gijzeling ten hoogste 60 dagen bedraagt. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
De veroordeelde heeft tot 28 juni 2024 een bedrag van € 40,- betaald.

Procedure

De vordering is op 28 juni 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 31 juli 2024 de vordering ter terechtzitting behandeld, waarbij zijn gehoord de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. T.J.F. Wassenaar en de officier van justitie. Van veroordeelde is hier te lande geen adres bekend, zodat hij ook niet is opgeroepen.

Vordering van het openbaar ministerie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 60 dagen in verband met de ontnemingsmaatregel en 100 dagen in verband met de maatregel kostenverhaal.

Standpunt van de veroordeelde

Namens de veroordeelde is bepleit de vordering af te wijzen. Veroordeelde is uitgezet naar Brazilië en mag niet meer terugkeren naar Nederland. Het CJIB is hiervan kennelijk niet op de hoogte. Het is niet noodzakelijk dan wel opportuun om de vordering te handhaven.

Beoordeling

De rechtbank zal beide vorderingen tezamen bespreken.
Vast staat dat veroordeelde een bedrag van € 13.000,- verschuldigd is. De opgelegde gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 24 maanden voorwaardelijk (met aftrek), is aansluitend aan het vonnis geëxecuteerd. Tijdens de detentie zijn er besprekingen gevoerd over een afbetalingsregeling, die echter niet tot een substantiële betaling hebben geleid omdat veroordeelde steeds aanvoerde niet over geld te beschikken om meer dan € 25,- per maand te kunnen voldoen. Uiteindelijk heeft veroordeelde € 40,- betaald, zodat in totaal € 12.960,- nog openstaat.
Bij de behandeling in raadkamer heeft de advocaat een brief van DJI van 18 oktober 2023 overgelegd waaruit blijkt dat de IND de verblijfsstatus van veroordeelde heeft ingetrokken en hem een inreisverbod van twee jaar heeft opgelegd. De minister heeft hem op grond van artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting een strafonderbreking verleend, ingaande op het moment dat hij daadwerkelijk het land verlaat, onder de voorwaarde dat hij niet terug keert. Het strafrestant van circa vier maanden zal hij alsnog moeten uitzitten als hij terugkeert naar Nederland.
Volgens de advocaat is veroordeelde inderdaad het land uitgezet en verblijft hij weer in Brazilië. De vordering machtiging gijzeling vermeldt dat uit de geraadpleegde bestanden is gebleken dat veroordeelde per 15 november 2023 met bestemming onbekend uit detentie vertrokken is.
Het is opmerkelijk dat het CJIB kennelijk niet de op hoogte is van deze strafonderbreking en uitzetting. Daar gaat de rechtbank in ieder geval van uit, anders zou het zeer kwalijk zijn dat het CJIB hiervan geen melding maakt in de vordering machtiging gijzeling. In de brief van de DJI wordt ook melding gemaakt van onderhavige betalingsverplichtingen en het lopende incassotraject, dus men was hiermee bekend. De ene uitvoerende dienst van het ministerie vindt het kennelijk niet nodig de andere uitvoerende dienst van hetzelfde ministerie te informeren over deze gang van zaken. Ook het openbaar ministerie was niet op de hoogte van de uitzetting.
In deze gang van zaken ziet de rechtbank reden de vorderingen af te wijzen. Het gaat niet aan om enerzijds veroordeelde het land uit te zetten en te dreigen met executie van het strafrestant bij terugkeer, en anderzijds een machtiging tot gijzeling te vorderen ter voortzetting van het incassotraject, terwijl betrokkene waarschijnlijk niet op de hoogte is van een en ander en niet in de gelegenheid is deel te nemen aan de behandeling. Dat is onbehoorlijk overheidshandelen (overigens niet aan het openbaar ministerie te wijten, nu ook de officier van justitie niet op de hoogte was).

Beslissing

De rechtbank:
- wijst de vordering af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. S.F.A. Vrede, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2024.