ECLI:NL:RBGEL:2024:5705

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juli 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
C/05/437581 / JE RK 24-661
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vervolg spoeduithuisplaatsing minderjarige wegens onvoldoende onderbouwing

De minderjarige was met spoed uit huis geplaatst vanwege zorgen over haar veiligheid bij de vader en een loyaliteitsconflict. De gecertificeerde instelling (GI) handhaafde het verzoek tot uithuisplaatsing, onderbouwd met zorgen over fysieke en emotionele veiligheid, waaronder incidenten met de vader en een melding bij Veilig Thuis.

De vader betwistte de noodzaak van uithuisplaatsing en stelde dat de incidenten onvoldoende waren om tot een machtiging over te gaan. Hij gaf aan open te staan voor hulpverlening thuis. De moeder erkende de problematiek en gaf aan dat de minderjarige sinds de uithuisplaatsing meer contact met haar zoekt.

De kinderrechter oordeelde dat onvoldoende concreet en specifiek was aangetoond dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Er was slechts één zorgmelding en de situatie was niet zodanig onhoudbaar dat een ingrijpende maatregel gerechtvaardigd is. De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing werd daarom beëindigd en het verzoek afgewezen. De voortzetting van opvoedondersteuning bij de vader werd benadrukt.

Uitkomst: De kinderrechter beëindigt de spoedmachtiging en wijst het resterende verzoek tot uithuisplaatsing af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/437581 / JE RK 24-661
Datum uitspraak: 3 juli 2024
Beschikking van de kinderrechter over een vervolg spoeduithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem, hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. G.B. van de Bunt te Putten.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling:
  • de beschikking van deze rechtbank van 21 juni 2024;
  • het verweerschrift met producties van mr. G.B. van de Bunt van 28 juni 2024, ontvangen op 28 juni 2024.
1.2.
Op 3 juli 2024 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de beschikking van 21 juni 2024, waarin de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, netwerkpleeggezin, heeft verleend voor de duur van vier weken, te weten tot 19 juli 2024 en de beslissing op het verzoek voor het overige heeft aangehouden.
1.5.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de GI tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (bekend onder zaaknummer C/05/437479 JE RK 24-630).

2.Het nadere standpunt van de GI

2.1.
De GI heeft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd en nader toegelicht. Zij benadrukt dat het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing niet enkel is gedaan vanwege de zorgmelding bij Veilig Thuis, maar dat er al langer grote zorgen zijn. [de minderjarige] bevindt zich al lange tijd in een loyaliteitsconflict en door de GI wordt een stuk parentificatie waargenomen. De GI vindt het zorgelijk dat [de minderjarige] dingen over de moeder bij de vader niet kan delen en niet bij de familie kan zijn. Ook zijn er naar aanleiding van wat [de minderjarige] bij haar vriendinnetje heeft aangegeven zorgen over de houding en de dreigementen van de vader en het onvoorspelbare wat daarin is gelegen voor de fysieke en sociaal-emotionele veiligheid van [de minderjarige] . Zo heeft [de minderjarige] aangegeven dat zij wordt geslagen door de vader als zij iets verkeerd doet. Ook heeft de vader [de minderjarige] een keer uit bed gesleurd toen zij naar school moest en is hij de badkamer ingestormd toen zij aan het douchen was. Verder brengt het voor [de minderjarige] onvoorspelbaarheid dat de vader eerder heeft aangegeven dat hij het gezag niet meer wil uitoefenen en een verblijf in een pleeggezin voor [de minderjarige] beter zal zijn. Dit is bij [de minderjarige] terecht gekomen, terwijl zij moet kunnen vertrouwen op haar opvoeder.

3.Het nadere standpunt van de vader

3.1.
De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de uithuisplaatsing af te wijzen, dan wel voor een kortere periode toe te wijzen;
- voorwaardelijk, indien de uithuisplaatsing wel wordt toegewezen:
o een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] wekelijks op ** bij de vader verblijft, dan wel een zorgregeling die de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
In zijn verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader naar voren gebracht dat er geen noodzaak is voor een machtiging tot uithuisplaatsing. De vader ziet geen zorgen omtrent de veiligheid van [de minderjarige] bij hem thuis. Er zijn twee incidenten geweest, maar deze incidenten hebben niet tot gevolg gehad dat de emotionele of fysieke veiligheid van [de minderjarige] in het geding is geweest. De aanleiding voor een uithuisplaatsing is volgens de vader door de GI nauwelijks onderbouwd. Er is sprake van één zorgmelding, maar die melding is niet in het dossier gevoegd. Daarnaast ontbreekt het aan heldere communicatie door de GI. De GI heeft de vader slechts met een e-mailbericht op de hoogte gesteld en belangrijke informatie wordt niet toegelicht. Ook is er geen goed plan voor het vervolg. [de minderjarige] is weggehaald uit haar eigen omgeving en de vader maakt zich zorgen over de plek waar [de minderjarige] nu verblijft. De opvoedstijl is niet passend bij die van de ouders en de informele setting verhoudt zich moeizaam tot de school waar [de minderjarige] heengaat. Volgens de vader lijkt de jeugdbeschermer niet verder te kijken naar andere plekken. De vader wil graag dat [de minderjarige] weer naar huis komt en de reeds betrokken opvoedondersteuning van Agathos kan worden voortgezet. De vader staat daarvoor open.

4.Het nadere standpunt van de moeder

3.1.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij erg is geschrokken van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Wel herkent zij de patronen waarvan sprake is uit haar eerdere huwelijk met de vader. Dit is voor de moeder pijnlijk en ingewikkeld. [de minderjarige] heeft met voorbeelden aangegeven dat sprake is van chantage door de vader, bijvoorbeeld als het gaat om het bijwonen van de familiedag aan moederszijde. Ook werd in de thuissituatie bij de vader negatief gesproken over de moeder en haar omgeving. Het valt de moeder op dat [de minderjarige] sinds de afgelopen maanden meer toenadering tot haar zoekt. Sinds de uithuisplaatsing heeft de moeder [de minderjarige] drie keer, op initiatief van [de minderjarige] , gezien. De moeder geniet van het contact met [de minderjarige] en gunt haar een veilige omgeving waar zij zich vrij kan voelen.

5.De verdere beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter gebleken dat er al langer zorgen zijn over het loyaliteitsconflict waarin [de minderjarige] zich bevindt. [de minderjarige] heeft er op enig moment voor gekozen om bij de vader te gaan wonen en de GI maakt zich zorgen over de mate waarin de vader [de minderjarige] betrekt bij de strijd tussen de ouders. Daarnaast heeft [de minderjarige] in een digitaal gesprek met een vriendinnetje zorgelijke uitspraken gedaan over de veiligheid van haar thuissituatie bij de vader. Zo heeft zij aangegeven dat haar vader schreeuwt, dreigt met haar buitensluiten, haar kleineert en fysiek geweld tegen haar gebruikt. De moeder van haar vriendinnetje heeft naar aanleiding hiervan een melding gemaakt bij Veilig Thuis. Vanwege deze onveiligheid en onvoorspelbaarheid van het contact tussen de vader en [de minderjarige] heeft de GI op 21 juni 2024 een spoedverzoek gedaan tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De vader ontkent de emotionele en fysieke onveiligheid van [de minderjarige] bij hem thuis. Hij erkent dat er incidenten hebben plaatsgevonden, maar naar aanleiding hiervan is een machtiging tot uithuisplaatsing volgens hem niet noodzakelijk. Volgens de vader kan worden volstaan met de inzet van hulpverlening in de thuissituatie.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat wordt voldaan aan de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Hoewel er zorgen zijn over het loyaliteitsconflict waarin [de minderjarige] zich bevindt en naar aanleiding van de inhoud van de melding bij Veilig Thuis, is de kinderrechter niet gebleken dat deze zorgen dusdanig groot zijn dat een ingrijpende maatregel als een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment noodzakelijk is. De vader erkent dat de door de GI genoemde incidenten in de badkamer en bij het bed van [de minderjarige] hebben plaatsgevonden en ook [de minderjarige] heeft deze incidenten toegelicht. Hoewel de vader in de eerder beschreven situaties anders had kunnen en moeten handelen, is onvoldoende gebleken dat sprake is geweest van fysiek geweld. Ook [de minderjarige] heeft aangegeven dat – behalve dat de vader haar één keer bij haar arm heeft gepakt – de vader geen fysiek geweld tegen haar heeft gebruikt. Het onvoorspelbare gedrag van de vader in bewoordingen werd door [de minderjarige] ook niet als zodanig herkend. Duidelijk is geworden dat [de minderjarige] zich al langere tijd in een loyaliteitsconflict bevindt, maar niet is gebleken dat dit de afgelopen periode zodanig is toegenomen dat de situatie onhoudbaar is geworden. De kinderrechter overweegt dat door de GI is onvoldoende concreet en specifiek is onderbouwd welke gebeurtenissen maken dat een uithuisplaatsing van [de minderjarige] op dit moment noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding en waarom niet kan worden volstaan met de inzet van hulpverlening bij de vader thuis. Daarbij weegt de kinderrechter mee dat slechts sprake is geweest van één zorgmelding, naar aanleiding van een gesprek tussen [de minderjarige] een vriendinnetje. Verder veroorzaakt een machtiging tot uithuisplaatsing veel onrust in het leven van [de minderjarige] . Zij verblijft bij haar tante op grote afstand van haar sociale leven en haar bijbaantjes en zij maakt zich zorgen over de veranderde band tussen haar en haar tante.
5.3.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij openstaat voor opvoedondersteuning van Agathos en dat hij reeds twee intakegesprekken bij Agathos heeft gehad. De kinderrechter vindt het van belang dat de vader deze hulpverlening voortzet. Verder deelt de kinderrechter de zorgen van de GI over de loyaliteit van [de minderjarige] naar haar beide ouders. Hiervoor dient mogelijk hulpverlening te worden ingezet. Het is positief dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] weer langzaam toeneemt.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat een uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Er is niet voldaan aan de wettelijke criteria. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI afwijzen en de op 21 juni 2021 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing met ingang van heden beëindigen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
beëindigt per heden de eerder door deze rechtbank op 21 juni 2024 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van:
-
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
6.1.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2024 door mr. S.W. Kuip, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L. Weijsters als griffier, en op schrift gesteld op 11 juli 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.