De rechtbank Gelderland behandelde op 22 augustus 2024 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen jegens zijn minderjarige dochter tussen 1999 en 2015. Aangeefster deed in september 2023 aangifte van misbruik, waarbij zij stelde dat verdachte haar seksueel had betast en gekust. Verdachte ontkende de seksuele intentie en gaf aan dat hij alleen onschuldige kusjes gaf tot haar leeftijd van 8 à 9 jaar, wat werd bevestigd door de moeder.
De rechtbank beoordeelde het bewijs en stelde vast dat de verklaringen van aangeefster niet ondersteund werden door onafhankelijk bewijs, aangezien andere verklaringen dezelfde bron hadden en er destijds geen signalen waren van misbruik. Gezien de bewijsminimumregel in zedenzaken kon de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde. Tevens werd de civiele vordering tot smartengeld afgewezen omdat de strafrechtelijke bewezenverklaring ontbrak. De uitspraak benadrukt het belang van het bewijsminimum en de zorgvuldige toetsing van verklaringen in zedenzaken.