ECLI:NL:RBGEL:2024:5721
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplichtigheid hennepkwekerij
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplichtigheid aan een hennepkwekerij. De vordering betrof een bedrag van oorspronkelijk €132.650,83, later aangepast naar €63.852,50, met aftrek van stroomkosten.
Tijdens de zitting stelde de verdediging dat het voordeel aanzienlijk lager was, circa €18.000, en dat stroomkosten reeds waren voldaan. Veroordeelde verklaarde dat zij geen geld had ontvangen en geen invloed had op de besteding van het geld in het huishouden, dat door haar echtgenoot werd beheerd.
De rechtbank oordeelde dat het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat veroordeelde voordeel heeft genoten. Gezien haar faciliterende rol en medeplichtigheid was het niet aannemelijk dat zij persoonlijk voordeel had verkregen.
Daarom wees de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af. Veroordeelde werd wel veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur voor medeplichtigheid aan het telen van hennep.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Gelderland op 19 juli 2024.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs van persoonlijk voordeel.