Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:6025

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2024
Publicatiedatum
4 september 2024
Zaaknummer
118961-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor medeplegen van voorbereiding brandstichting wegens onvoldoende bewijs

Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van de voorbereiding van brandstichting door het ter beschikking stellen of in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag voor de aanschaf van een auto of caravan, bestemd voor het plegen van brandstichting. De officier van justitie vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.

De rechtbank onderzocht het bewijs, waarbij vooral werd gekeken naar berichten in een WhatsApp-groep waarin verdachte slechts op drie momenten berichten had gestuurd. De inhoud van deze berichten was onvoldoende concreet om vast te stellen dat verdachte opzettelijk een geldbedrag ter beschikking had gesteld voor het misdrijf.

De rechtbank concludeerde dat het aantal berichten te beperkt was en de inhoud onvoldoende concreet, waardoor niet kon worden bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan voorbereiding van brandstichting of medeplichtigheid daaraan. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende concreet bewijs voor medeplegen van voorbereiding van brandstichting.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/118961-23
Datum uitspraak : 4 juni 2024
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. K. Lans, advocaat in IJmuiden.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2022 tot 31 december 2022 te Opijnen,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar
de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te
weten brandstichting (als bedoeld in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht)
in/aan een auto of caravan,
opzettelijk
een geldbedrag ter beschikking/in het vooruitzicht heeft gesteld voor de aanschaf
van die auto of caravan,
bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , in elk
geval een ander dan verdachte,
in of omstreeks de periode van 3 oktober 2022 tot 31 december 2022 te Opijnen,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar
de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te
weten brandstichting (als bedoeld in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht)
in/aan een auto of caravan,
tot en/of bij het plegen van voorgenoemd misdrijf verdachte,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in of omstreeks de periode van 3 oktober 2022 tot 31 december 2022 te Opijnen,
althans in Nederland,
opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is
geweest, door opzettelijk aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]
en/of [medeverdachte 3] een geldbedrag ter beschikking/in het vooruitzicht heeft
gesteld voor de aanschaf van een auto of caravan.

2.De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht aan verdachte een taakstraf van 130 uren, te vervangen door 65 dagen hechtenis, op te leggen.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding van het misdrijf van brandstichting, dan wel medeplichtig is aan die voorbereiding.
Bij de beantwoording van de vraag of de in artikel 46, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vermelde voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen (hierna gezamenlijk als 'voorwerpen' aan te duiden), afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm "zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf" in de zin van deze bepaling, dient te worden beoordeeld of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had. Niet kan worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.
In artikel 46 lid 1 Sr Pro wordt met “dat misdrijf" in de zinsnede “bestemd tot het begaan van dat misdrijf" gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid en dus niet op de voorbereiding zelf. Dat betekent dat het object waarop een in artikel 46 Sr Pro genoemde gedraging betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid. De rechtbank moet dus beoordelen of verdachte opzettelijk een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld heeft voor de aanschaf van een auto of caravan, bestemd tot het in vereniging begaan van het misdrijf van brandstichting.
De rechtbank stelt vast dat verdachte weliswaar medio maart 2022 is toegevoegd aan de WhatsApp groep “ [aanduiding Whatsapp groep] ”, maar voor zover uit het dossier is gebleken heeft hij tot 12 december 2022 slechts op drie momenten berichten verstuurd in deze groepsapp. Toen op 18 maart 2022 in de “ [aanduiding Whatsapp groep] ” door iemand anders werd geappt dat verdachte een autowrak had staan dat goed zal branden, heeft verdachte op 19 maart 2022 gestuurd:
“nee man niet in de fik”. Op 22 november 2022 heeft hij in een enkel bericht zijn enthousiasme over een vuurwerkfilmpje gedeeld. Daarnaast heeft hij op 5 december 2022 een bericht gestuurd, toen het ging over of er nog een caravan zou worden gekocht. Verdachte stuurde toen:
“Ik sluit aan. Ik hoor wel wat het kost.”
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte opzettelijk een geldbedrag ter beschikking of in het vooruitzicht heeft gesteld voor de aanschaf van een auto of caravan, bestemd tot het in vereniging begaan van het misdrijf van brandstichting. Daarvoor is het aantal berichten te beperkt en is de inhoud van de berichten onvoldoende concreet. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

4.De beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair en het subsidiair tenlastegelegde.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en
mr. S.A. van den Toorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2024.
mr. B. de Rooij is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.