De rechtbank Gelderland behandelde op 4 april 2024 het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan recidiverende psychotische episoden en een middelgerelateerde verslavingsstoornis. Tijdens de mondelinge behandeling werden betrokkene, zijn advocaat, een psychiater, een SPV, een mentor en een begeleider gehoord.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene een psychische stoornis heeft met psychotische kenmerken en een lichte verstandelijke beperking, en dat er sprake is van een middelgerelateerde en verslavingsstoornis. Ondanks het verweer van de advocaat dat de verslaving niet tot toepassing van de Wvggz zou leiden, oordeelde de rechtbank dat de stoornis ernstig genoeg is om het gedrag van betrokkene te beheersen en het gevaar niet aan hem toe te rekenen.
Ernstig nadeel werd vastgesteld, waaronder risico op ernstig lichamelijk letsel, psychische schade, materiële schade, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De rechtbank concludeerde dat vrijwillige zorg niet mogelijk is omdat betrokkene de medicatie weigert en niet therapietrouw is. Daarom is verplichte zorg noodzakelijk, bestaande uit medicatietoediening, bewegingsbeperkingen, vrijheidsbeperkingen en opname in een accommodatie, voor de duur van twaalf maanden.
De rechtbank wees minder bezwarende maatregelen af wegens onvoldoende noodzaak en achtte de voorgestelde zorg evenredig en effectief. De beschikking is mondeling gegeven op 4 april 2024 en schriftelijk vastgesteld op 18 april 2024. Tegen deze beschikking staat cassatie open.