Auto Rima heeft werkzaamheden verricht aan een Volvo V70 waarvan [gedaagde in conv/eiser in reconv] sinds 2021 eigenaar is. Auto Rima factureerde €4.200 voor reparatie en €2.557,18 aan stallingskosten wegens het niet ophalen van de auto. Gedaagde betwist dat hij opdracht heeft gegeven voor de reparatie en stelt dat de auto op zijn naam staat als vriendendienst voor een derde.
Auto Rima baseert haar vordering op de stelling dat gedaagde of een gevolmachtigde opdracht heeft gegeven. De rechtbank constateert dat Auto Rima onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de opdracht door of namens gedaagde is verstrekt. De enkele telefonnotities en het feit dat de factuur op de naam van gedaagde is gesteld, zijn onvoldoende om het bestaan van een volmacht aan te nemen.
De rechtbank wijst Auto Rima toe om nader bewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor, en verwijst de zaak naar een rolzitting voor verdere procedurele afspraken. Vooruitlopend op bewijslevering oordeelt de rechtbank dat het beroep op ongerechtvaardigde verrijking faalt omdat Auto Rima geen onderbouwing heeft gegeven van haar verarming.
De verdere beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld.