ECLI:NL:RBGEL:2024:610

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 januari 2024
Publicatiedatum
7 februari 2024
Zaaknummer
C/05/431128 / ZJ RK 24-53
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over gedeeltelijke gezagsuitoefening voor schoolaanmelding van minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om het gezag over drie minderjarige kinderen gedeeltelijk aan haar toe te wijzen voor het doel van aanmelding bij een onderwijsinstelling. De kinderen verblijven sinds december 2023 in een gezinshuis en zijn onder toezicht gesteld met machtiging tot uithuisplaatsing.

De GI wilde de kinderen inschrijven op een andere basisschool dan hun eigen school, omdat de eigen school niet aan de veiligheidseisen voldeed. De ouders waren het niet eens met deze schoolwissel, maar wilden wel dat de kinderen weer naar school gingen en boden een locatieverbod aan om hun aanwezigheid nabij de school te beperken.

Tijdens de mondelinge behandeling bereikten de ouders en de GI overeenstemming dat de kinderen vanaf 12 februari 2024 weer onderwijs zullen volgen op hun eigen basisschool, onder de voorwaarde dat de ouders zich op bepaalde tijden niet binnen 100 meter van de school bevinden. Hierdoor trok de GI haar verzoek in en verklaarde de kinderrechter het verzoek niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het verzoek van de gecertificeerde instelling tot gedeeltelijke gezagsuitoefening wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege overeenstemming met de ouders over schoolaanmelding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/431128 / ZJ RK 24-53
Datum uitspraak: 31 januari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting
in de zaak van
De gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen de GI,
over
[naam minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[naam minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[naam minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
en
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
beiden wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 25 januari 2024;
  • de e-mail met bijlagen van de ouders, binnengekomen bij de rechtbank op 29 januari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders;
- twee vertegenwoordigers van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 oktober 2023 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden tot 30 januari 2024 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening verleend voor de duur van vier weken tot 27 november 2023. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 november 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 30 januari 2024.
2.3.
Bij beschikking van 21 december 2023 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 21 december 2024. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 21 april 2024. De kinderrechter heeft de beslissing voor het overige aangehouden tot 21 maart 2024 pro forma, in afwachting van nadere informatie van de Raad en de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling en een actuele stand van zaken.
2.4.
Sinds omstreeks 12 december 2023 verblijven [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinshuis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De standpunten

Het standpunt van de GI

4.1.
Ondanks dat zij dit graag willen en het belangrijk is voor hun (cognitieve en sociaal-emotionele) ontwikkeling, structuur en dagindeling, gaan [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] momenteel niet naar school/de kinderopvang. De ouders verlenen geen toestemming voor het inschrijven van de kinderen op een school in de buurt van het gezinshuis waar de kinderen momenteel verblijven. Omdat de GI er, net als de ouders, de voorkeur aan geeft dat de kinderen in hun vertrouwde omgeving naar school kunnen gaan, heeft zij onderzocht welke mogelijkheden er zijn bij de eigen school van de kinderen, Basisschool [naam basisschool] in [woonplaats] . Gebleken is echter dat die school niet kan voldoen aan de door de GI gestelde voorwaarden om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. Ondanks dat de GI een wisseling van school/kinderopvang niet de meest ideale oplossing vindt, vindt zij het belangrijk dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geen achterstand in hun ontwikkeling oplopen, zij zich onder leeftijdsgenoten bevinden en een leeftijdsadequate invulling van hun dag hebben. Om die reden staat de GI inschrijving van de kinderen op een andere basisschool voor.
Het standpunt van de ouders
4.2.
Ook de ouders vinden het heel belangrijk dat de kinderen weer naar school gaan. De ouders zijn het echter niet eens met het verzoek van de GI. Zij vinden een wisseling van school/kinderopvang niet in het belang van de kinderen. De kinderen willen dat volgens de ouders ook niet. Hoewel de ouders zich bewust zijn van de door de GI geuite zorgen, is er volgens hen geen enkele reden om aan te nemen dat zij zich bij de school zullen gaan ophouden. Dat zou namelijk betekenen dat de ouders zich niet aan de afspraken houden en daar hebben zij alleen zichzelf mee. Bovendien weten de ouders op dit moment ook waar de kinderen verblijven en hebben zij zich tot nu toe nooit op of nabij die plek vertoond. Voor zover dat nodig is, zijn de ouders bereid om de zorgen van de GI weg te nemen door zich te vrijwillig te verbinden aan een locatieverbod waarbij de ouders zich niet mogen begeven in een straal van 100 meter van de school van de kinderen.

5.De beoordeling

5.1.
Uit artikel 1:265e BW volgt dat de kinderrechter nadat een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, op verzoek kan bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Hij kan dit doen met betrekking tot onder andere de aanmelding van de minderjarigen bij een onderwijsinstelling.
5.2.
De ouders en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt. Tussen de ouders en de zittingsvertegenwoordigers van de GI is afgesproken dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en (zodra hij vier jaar is geworden of eerder in overleg) [minderjarige 3] vanaf 12 februari 2024, of zoveel eerder als praktisch mogelijk is in verband met het vervoer vanuit het gezinshuis en terug, weer onderwijs zullen volgen op Basisschool [naam basisschool] in [woonplaats] , waarbij de ouders zich verbinden aan de voorwaarde dat zij zich niet in een straal van 100 meter van de school zullen bevinden op maandag van 7.30 uur tot 19.00 uur en op dinsdag tot en met vrijdag van 07.30 uur tot 15.00 uur.
5.3.
Gelet op de bereikte overeenstemming heeft de GI haar verzoek ter zitting ingetrokken. De rechtbank komt daarom niet toe aan de behandeling hiervan en zal de GI niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2024 door mr. G. Hilberink, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. ter Brugge-Beuker als griffier, en op schrift gesteld op 2 februari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.