Uitspraak
1.De inhoud van de vordering
2.De procedure
3.De beoordeling van de vordering
4.De toegepaste wettelijke bepalingen
5.De beslissing
nihil;
nihil.
Rechtbank Gelderland
De rechtbank Gelderland heeft op 12 september 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde zou worden vastgesteld en ontnomen. De vordering betrof een bedrag dat aanvankelijk was geschat op €134.070,27, later aangepast naar €21.309,00.
De veroordeelde was eerder veroordeeld wegens valsheid in geschrift, waarbij hij declaraties had ingediend voor gespecialiseerde begeleiding die hij niet volgens de overeengekomen opleidingseisen had verleend. Hoewel het aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, kon de rechtbank op basis van het dossier de hoogte van het voordeel niet vaststellen.
De rechtbank baseerde zich op verklaringen, proces-verbalen en schriftelijke stukken, waaronder de verklaring van de veroordeelde, het curriculum vitae en een overeenkomst tot supervisie. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs voor de exacte hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, stelde de rechtbank het bedrag vast op nihil en legde geen betalingsverplichting op.
De beslissing is genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem, waarbij één rechter niet in staat was mede te ondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil en legt geen betalingsverplichting op.