ECLI:NL:RBGEL:2024:6306

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 september 2024
Publicatiedatum
17 september 2024
Zaaknummer
055205.21 ontneming
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens valsheid in geschrift niet vastgesteld

De rechtbank Gelderland heeft op 12 september 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde zou worden vastgesteld en ontnomen. De vordering betrof een bedrag dat aanvankelijk was geschat op €134.070,27, later aangepast naar €21.309,00.

De veroordeelde was eerder veroordeeld wegens valsheid in geschrift, waarbij hij declaraties had ingediend voor gespecialiseerde begeleiding die hij niet volgens de overeengekomen opleidingseisen had verleend. Hoewel het aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, kon de rechtbank op basis van het dossier de hoogte van het voordeel niet vaststellen.

De rechtbank baseerde zich op verklaringen, proces-verbalen en schriftelijke stukken, waaronder de verklaring van de veroordeelde, het curriculum vitae en een overeenkomst tot supervisie. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs voor de exacte hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, stelde de rechtbank het bedrag vast op nihil en legde geen betalingsverplichting op.

De beslissing is genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem, waarbij één rechter niet in staat was mede te ondertekenen.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil en legt geen betalingsverplichting op.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer : 05.055205.21
Datum uitspraak : 12 september 2024
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] (Marokko),
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. Y. Finani, advocaat in Utrecht.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 134.070,27.

2.De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de officier van justitie geschat op € 21.309,00. Hij heeft gevorderd dit bedrag aan verdacht te ontnemen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor ontneming.

3.De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 12 september 2024 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van valsheid in geschrift is veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. [1]
Veroordeelde heeft in de periode van 21 december 2018 tot en met 18 april 2019 meermaals declaraties opgemaakt ten name van de gemeente Arnhem met betrekking tot gespecialiseerde begeleiding, zoals bedoeld onder productcode 02A05. Voor het verlenen van deze begeleiding is HBO-geschoold personeel vereist. [2] Veroordeelde heeft verklaard dat hij in de periode van januari tot en met maart 2019 werkzaamheden onder deze code heeft gedeclareerd, die hij heeft zelf heeft verricht. Veroordeelde heeft zelf geen HBO-opleiding gevolgd en de gespecialiseerde begeleiding onder supervisie verleend. [3] Zo handelend heeft veroordeelde niet voldaan aan de met de gemeente overeengekomen opleidingseisen. Veroordeelde heeft de declaraties in verband met deze werkzaamheden valselijk opgemaakt. De declaraties zijn wel uitbetaald aan [bedrijf] . Aan verdachte is salaris uitgekeerd uit de betalingen door de gemeente aan [bedrijf] (p. 48 en 49). Daarmee is vast komen te staan dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De hoogte van het bedrag aan declaraties voor niet of niet juist verleende zorg is op basis van het dossier echter niet vast te stellen.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het niet mogelijk is op basis van het dossier de hoogte van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank daarom het bedrag dat veroordeelde aan de staat moet betalen vast op een bedrag van € 0 (nul euro).

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
nihil;
- bepaalt de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op
nihil.
Aldus gegeven door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. M.W.R. Koch en mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september 2024.
mr. Van Kasbergen is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Sociale Recherche Arnhem, opgemaakte proces-verbaal, gesloten op 9 januari 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Opleidingseisen ambulante ondersteuning, p. 773.
3.Verklaring ter terechtzitting van 29 augustus 2024; curriculum vitae van [verdachte] , geboren op 8 december 1972 en de overeenkomst tot supervisie in het kader van de Wmo en de Jeugdwet van 1 januari 2018, overgelegd als productie D in de bijlagen van de e-mail van [naam] van 28 augustus 2024.