Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:6430

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 september 2024
Publicatiedatum
23 september 2024
Zaaknummer
C/05/437889 / FA RK 24-2159
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid provisioneel verzoek omgangsregeling na langdurig contactverlies

De vrouw verzocht de rechtbank om een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van hun 14-jarige dochter. De man verzocht op zijn beurt om een provisionele omgangsregeling, waarbij hij wilde dat hun dochter om het weekend bij hem zou verblijven. Sinds begin 2023 was er geen contact meer tussen de man en zijn dochter.

De rechtbank oordeelde dat een spoedmaatregel niet passend is, omdat de man onvoldoende heeft onderbouwd waarom het noodzakelijk is om nu al een beslissing te nemen en waarom het niet van hem kan worden verlangd om de bodemprocedure af te wachten. De rechtbank benadrukte dat na zo’n lange periode zonder contact een zorgvuldige afweging nodig is over de wijze van contactherstel, wat niet mogelijk is in een spoedprocedure.

De man werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een provisionele voorziening. De bodemprocedure wordt nog gepland, waarbij partijen nog een uitnodiging voor een mondelinge behandeling zullen ontvangen.

Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een provisionele omgangsregeling met zijn dochter.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/437889 / FA RK 24-2159
Datum uitspraak: 24 september 2024
beschikking provisionele voorziening
in de zaak van
[naam vrouw], hierna de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem
tegen
[naam man], hierna de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. L.A. Alderlieste te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 24 juni 2024;
- het verweerschrift van de man met provisioneel verzoek, ingekomen op 13 september 2024.
1.2.
De rechtbank neemt op basis van de stukken, dus zonder mondelinge behandeling, een beslissing op het provisionele verzoek.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een dochter:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft [de minderjarige] erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man een bijdrage dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 269 per maand primair ingaande 1 april 2024 en subsidiair ingaande de datum indiening van dit verzoekschrift, met ingang van de ten deze te wijzen beschikking bij vooruitbetaling te voldoen.
3.2.
De man voert verweer en verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:
1. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen, dan wel een zodanige bijdrage op te leggen als de rechtbank juist acht,
Bij wijze van voorlopige, als wel definitieve voorziening
2. als omgangsregeling vast te stellen dat de minderjarige om het weekend van zaterdag (na de hockey) tot en met zondag 20.30 uur bij de man zal verblijven, alsmede de helft van de (school)

4.De beoordeling

Provisionele voorziening
4.1.
De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek om een provisionele voorziening te treffen. De rechtbank zal uitleggen waarom.
4.2.
De man vraagt om een spoedmaatregel voor de duur van de procedure, ook wel een ‘voorlopige voorziening’ of een ‘provisionele voorziening’ genoemd (artikel 223 Rv Pro). De rechtbank kan alleen een provisionele voorziening treffen als is voldaan aan een aantal wettelijke vereisten. Een van die vereisten is dat van de man niet kan worden verlangd om een beslissing in de bodemprocedure af te wachten.
4.3.
De man stelt dat er sinds begin 2023 geen omgang meer is geweest tussen hem en [de minderjarige] . De man wil de omgang hervatten en stelt dat partijen daarover ook afspraken hebben gemaakt, inhoudende dat [de minderjarige] om de week bij hem verblijft van zaterdag na de hockey tot zondag uiterlijk 20.30 uur, met dien verstande dat rekening wordt gehouden met de eigen activiteiten van [de minderjarige] , en waarbij de man [de minderjarige] haalt en terugbrengt. Volgens de man heeft de vrouw niet meer gereageerd op de aanvangsdatum van de regeling. De man vreest dat de vrouw de afgesproken regeling niet zal nakomen en stelt daarom een spoedeisend belang te hebben, te meer nu hij [de minderjarige] al 1,5 jaar niet meer gezien heeft.
4.4.
De rechtbank verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek, omdat de man onvoldoende heeft onderbouwd wat, behalve tijdsverloop, maakt dat de omgangsregeling nu met spoed hervat moet worden. De man noemt zijn, zeer begrijpelijke, wens tot spoedig contactherstel, maar onderbouwt niet dat het hervatten van het contact na zo’n lange periode op de door hem verzochte wijze mogelijk is én in het belang van de 14-jarige [de minderjarige] is. De rechtbank is van oordeel dat er voor een beslissing over de wijze van contactherstel na zo’n lange periode zonder contact tussen ouder en kind, een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden. Voor zo’n afweging is in een spoedprocedure onvoldoende ruimte.
Daarnaast heeft de man onvoldoende onderbouwd dat van hem niet kan worden gevergd om de beslissing in de bodemprocedure af te wachten. De man stelt namelijk dat partijen in principe overeenstemming hebben over de regeling.
De bodemprocedure
4.5.
De mondelinge behandeling voor de bodemprocedure wordt nog gepland. Partijen zullen nog een uitnodiging voor de mondelinge behandeling ontvangen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn provisionele verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.S.M. Bak, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2024.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.