ECLI:NL:RBGEL:2024:6439

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 september 2024
Publicatiedatum
23 september 2024
Zaaknummer
438954
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 71 lid 2 RvArt. 93 aanhef en sub c RvArt. 94 lid 2 RvArt. 223 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak over IKC-samenwerking en huurovereenkomsten naar kantonrechter

Zonnekinderen B.V. en Stichting Innerwaard exploiteren gezamenlijk zeven integrale kindcentra (IKC's) en sloten in 2019 IKC-overeenkomsten, bestaande uit samenwerkings- en huurovereenkomsten met een looptijd van vijf jaar. In 2024 sloten zij nieuwe overeenkomsten met een looptijd van één jaar zonder specifieke verlengingsbepalingen. Innerwaard beëindigde de samenwerking per 31 december 2024, waarop Zonnekinderen meerdere vorderingen instelde, zowel in de hoofdzaak als in een incident.

De rechtbank overweegt dat de samenwerkings- en huurovereenkomsten zo nauw samenhangen dat de vorderingen niet afzonderlijk kunnen worden behandeld. Daarom is zij van oordeel dat de zaak moet worden behandeld door de kantonrechter. Omdat Zonnekinderen de vorderingen niet bij de kantonrechter heeft ingediend, is de rechtbank voornemens de zaak ambtshalve naar de kantonrechter te verwijzen.

Partijen krijgen gelegenheid om zich uit te laten over dit voornemen. De verdere beslissing wordt aangehouden en de zaak wordt op 2 oktober 2024 verwezen naar de rol voor het nemen van akten door beide partijen.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak ambtshalve naar de kantonrechter en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/438954 / HA ZA 24-383
Vonnis in hoofdzaak en incident van 18 september 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZONNEKINDEREN B.V.
gevestigd te Lingewaard
eisende partij in de hoofdzaak en in het incident
hierna te noemen: Zonnekinderen
advocaat: mr. I.S. Oosterhoff
tegen
de stichting
STICHTING INNERWAARD
gevestigd te Duiven
gedaagde partij in de hoofdzaak en in het incident
hierna te noemen: Innerwaard
advocaat: mr. J.A. Bussink

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juli 2024, tevens houdende incidentele vordering tot provisionele voorzieningen ex art. 223 Rv Pro,
- de akte houdende overlegging producties van de zijde van Zonnekinderen,
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. Dit vonnis wordt tevens gewezen in de hoofdzaak.

2.De beoordeling in de hoofdzaak en in het incident

2.1.
Zonnekinderen vordert in de hoofdzaak primair dat de rechtbank drie verklaringen voor recht geeft, namelijk (i) dat de IKC-overeenkomsten die Zonnekinderen in 2024 met Innerwaard heeft gesloten niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, (ii) dat de IKC-overeenkomsten die zij met haar in 2019 heeft gesloten na 31 december 2023 stilzwijgend zijn verlengd en (iii) dat partijen verplicht zijn de IKC-overeenkomsten van 2019 te actualiseren. Bovendien stelt Zonnekinderen subsidiaire, meer subsidiaire en meest subsidiaire vorderingen in.
2.2.
In het incident vordert Zonnekinderen (i) dat de rechtbank Innerwaard veroordeelt de IKC-overeenkomsten van 2019 na te komen zolang de procedure loopt en (ii) dat de rechtbank Innerwaard bepaalde dingen verbiedt op straffe van dwangsommen.
2.3.
Zonnekinderen licht haar vorderingen in de hoofdzaak als volgt toe. Partijen exploiteren gezamenlijk zeven ‘integrale kindcentra’ in de omgeving van Duiven (afgekort: IKC’s). Dat zijn centra voor kinderdagopvang, buitenschoolse opvang en basisonderwijs. In het kader van die gezamenlijke exploitatie hebben Zonnekinderen en Innerwaard in 2019 overeenkomsten met elkaar gesloten. Partijen noemen die overeenkomsten ‘IKC-overeenkomsten’. Deze IKC-overeenkomsten uit 2019 zijn een ‘Samenwerkings-overeenkomst Integrale Kindcentra’ en diverse daarmee samenhangende huurovereenkomsten. Deze overeenkomsten hebben een looptijd van vijf jaar en bevatten specifieke voorwaarden over actualisatie en verlenging. Tegen het einde van de looptijd van de IKC-overeenkomsten van 2019 hebben partijen met elkaar gesproken over voortzetting van de samenwerking. In 2024 hebben zij opnieuw IKC-overeenkomsten gesloten. Dat waren weer een samenwerkingsovereenkomst en daarmee samenhangende huurovereenkomsten. Deze overeenkomsten hebben een looptijd van één jaar. Er zijn geen specifieke voorwaarden in opgenomen over actualisatie en verlenging. Vervolgens heeft Innerwaard de samenwerking beëindigd per 31 december 2024. Zonnekinderen betoogt op verschillende gronden dat Innerwaard dat niet kon doen. Daarop baseert zij haar vorderingen in de hoofdzaak en in het incident.
2.4.
Innerwaard voert verweer in het incident.
2.5.
De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt. Zonnekinderen heeft vorderingen ingesteld die samenwerkingsovereenkomsten en huurovereenkomsten betreffen. Deze vorderingen moeten worden beoordeeld door de kantonrechter, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank hangen de samenwerkingsovereenkomsten en de huurovereenkomsten zo zeer met elkaar samen, dat de vorderingen met betrekking tot deze overeenkomsten niet afzonderlijk van elkaar kunnen worden beoordeeld. De voorlopige conclusie is daarom dat de vorderingen van Zonnekinderen, zowel die in de hoofdzaak als die in het incident, moeten worden behandeld en beslist door de kantonrechter (art. 93 aanhef Pro en sub c Rv en art. 94 lid 2 Rv Pro).
2.6.
Omdat Zonnekinderen de vorderingen niet heeft ingediend bij de kantonrechter, is de rechtbank voornemens de zaak ambtshalve naar de kantonrechter (locatie Arnhem) te verwijzen (art. 71 lid 2 Rv Pro). Voordat de rechtbank daartoe overgaat, zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten.
2.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak en in het incident
3.1.
stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de zaak ambtshalve te verwijzen naar de kantonrechter,
3.2.
verwijst de zaak daartoe naar de rol van
woensdag 2 oktober 2024voor het nemen van akten door beide partijen (gelijktijdig),
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2024.
1547 / 560