De rechtbank Gelderland behandelde op 9 oktober 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplichtigheid aan hennepteelt en diefstal van stroom in een pand te Heumen.
De officier van justitie stelde dat verdachte betrokken was bij het kweken van ongeveer 586 hennepplanten en het illegaal aftappen van elektriciteit, en eiste een taakstraf van 180 uur. Verdachte ontkende betrokkenheid en verklaarde het pand te hebben verhuurd aan derden zonder kennis van de hennepkwekerij.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte opzettelijk betrokken was bij de hennepteelt of de diefstal van stroom. Er waren geen aanwijzingen dat verdachte zelf aanwezig was in het deel van het pand waar de kwekerij was gevestigd, noch dat hij wetenschap had van de illegale activiteiten.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten, inclusief de subsidiaire beschuldiging van medeplichtigheid. De vrijspraak werd uitgesproken door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. J.J.H. van Laethem.