Upland Parcs c.s., Duitse vennootschappen die een appartementencomplex in Oostenrijk ontwikkelden, vorderden in kort geding dat gedaagden, eigenaren van appartementen, een volmacht zouden ondertekenen om namens hen wijziging van exploitatievergunningen bij Oostenrijkse autoriteiten aan te vragen. Deze wijziging is noodzakelijk om het verhuurverbod op te heffen dat volgde op bouwkundige tekortkomingen.
Gedaagden voerden verweer en betwistten de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van Nederlands recht op deze vordering. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is op grond van de contractuele rechtskeuze. Echter, de rechtbank stelde vast dat de volmacht feitelijk een blanco volmacht betreft met onbekende juridische en financiële gevolgen voor gedaagden.
Daarnaast wees de rechtbank op de Oostenrijkse WEG-regulering die strikte eisen stelt aan besluiten van eigenaren en dat een notarieel bekrachtigde handtekening vereist is voor bestuursrechtelijke procedures. Upland Parcs c.s. hadden onvoldoende inzicht gegeven in de concrete plannen en gevolgen van de volmacht. Gezien de lopende bodemprocedure en het gedeeltelijk opgeheven verhuurverbod, concludeerde de rechtbank dat Upland Parcs c.s. onvoldoende spoedeisend belang hadden bij toewijzing van de vordering. De vordering werd daarom afgewezen en Upland Parcs c.s. werden veroordeeld in de proceskosten.