ECLI:NL:RBGEL:2024:6891

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 september 2024
Publicatiedatum
10 oktober 2024
Zaaknummer
C/05/439362 KG RK 24-588
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken vooringenomenheid

Het wrakingsverzoek betrof de rechter in een civiele procedure tussen belanghebbende en verzoeker, waarbij verzoeker meende dat de rechter vooringenomen was door het wijzen van een tussenvonnis en het geven van een extra reactiemogelijkheid aan belanghebbende.

De wrakingskamer overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij concrete aanwijzingen van vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan. De rechter had in het tussenvonnis belanghebbende de gelegenheid gegeven te reageren op nieuw ingediende stukken van verzoeker, hetgeen volgens de kamer een gebruikelijke procedurele gang van zaken is conform artikel 19 lid 1 Rv Pro.

De kamer stelde vast dat verzoeker zelf geen nieuwe stukken had ingediend waarop belanghebbende niet kon reageren, en dat verzoeker zelf geen extra reactiemogelijkheid had gemist. De vermeende vooringenomenheid kon daarom niet worden aangenomen.

De wrakingskamer wees het verzoek af en benadrukte dat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND, locatie Zutphen

Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/439362 KG RK 24-588
Beslissing van 16 september 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonend te Harderwijk,
hierna te noemen: [verzoeker],
procederend in persoon,
strekkende tot de wraking van
mr. M. Engelbert-Clarenbeek,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het e-mailbericht van 26 juli 2024 van de echtgenote van [verzoeker] namens hem waarin het wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de (ongedateerde) schriftelijke reactie van de rechter;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling, gehouden op
2 september 2024.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen via een Teams-beeldverbinding. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer
10748543 \ CV EXPL 23-3219 tussen [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]) en [verzoeker] als gedaagde partij.
2.2.
[verzoeker] heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter in haar tussenvonnis van 26 juni 2024 [belanghebbende] nogmaals de gelegenheid heeft gegeven te reageren op de standpunten en (bewijs)stukken van [verzoeker]. Vanwege het geven van deze ‘extra kans’ aan [belanghebbende] zijn bij Heusinkveld twijfels ontstaan over de objectiviteit van de rechter.
2.3.
De rechter berust niet in de wraking en heeft bij brief van 14 augustus 2024 op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
[verzoeker] stelt dat de rechter in haar tussenvonnis van 26 juni 2024 aan [belanghebbende], ten onrechte, nogmaals de gelegenheid heeft gegeven te reageren op het verweer en de (bewijs)stukken van [verzoeker]. Volgens [verzoeker] heeft hij een compleet dossier aangeleverd en is hem vervolgens meegedeeld dat op de zitting van 15 mei 2024 door [belanghebbende] niet is gereageerd, zodat vonnis zal worden gewezen. [verzoeker] heeft toegelicht dat het vreemd is, en juist in lijn met de volgens hem bestaande zogenaamde ‘incasso-industrie’, dat de vordering van [belanghebbende] niet is afgewezen. Volgens [verzoeker] blijkt de vooringenomenheid van de rechter uit het feit dat zij in een tussenvonnis [belanghebbende] nogmaals de gelegenheid heeft gegeven voor een reactie, mede omdat hij deze gelegenheid niet heeft gekregen.
3.3.
De wrakingskamer overweegt dat de wrakingsgrond ziet op een door de rechter genomen procedurele beslissing, namelijk het niet wijzen van een eindvonnis maar een tussenvonnis, waarbij een partij in de gelegenheid wordt gesteld op een bepaald punt te reageren. De juistheid van een rechterlijke beslissing kan echter alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking.
3.4.
De aangevoerde gronden halen deze hoge drempel niet. De rechter heeft toegelicht dat [verzoeker] bij zijn laatste brief voorafgaand aan het tussenvonnis betaalbewijzen in het geding heeft gebracht. Als gevolg van die betaalbewijzen is, zo is ook overwogen in punt 4.5. van het tussenvonnis, onduidelijkheid ontstaan over de opbouw van de vordering van [belanghebbende]. Omdat [belanghebbende] nog niet op de laatst ingediende stukken heeft kunnen reageren, dient zij bij akte duidelijkheid te verschaffen over de opbouw van haar vordering en tevens te reageren op de andere door [verzoeker] overgelegde stukken. De wrakingskamer overweegt dat een dergelijke gang van zaken niet ongebruikelijk is en in lijn is met artikel 19, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat [verzoeker] geen gelegenheid heeft gekregen voor nog een reactie, maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is immers dat [belanghebbende] kort voor het tussenvonnis ook nog (nadere) stukken in het geding heeft gebracht waarop [verzoeker] nog niet heeft kunnen reageren. Hierin kan dan ook geen grond voor wraking van de rechter worden gevonden. Dat de rechter met het wijzen van het tussenvonnis de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt, is naar het oordeel van de wrakingskamer niet aannemelijk geworden. Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. M.J.H. Schuurman en mr. H.C. Leemreize, leden, in tegenwoordigheid van de griffier [griffier] en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.