ECLI:NL:RBGEL:2024:7037

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 oktober 2024
Publicatiedatum
16 oktober 2024
Zaaknummer
105048-24 ontneming
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen online-handelsfraude en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank Gelderland heeft op 16 oktober 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, geboren in 1998, wegens medeplegen van online-handelsfraude. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van €7.875,00, maar heeft dit tijdens de zitting aangepast naar €1.725,00.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte gedurende de periode van 9 april 2023 tot en met 9 juli 2023 een wederrechtelijk voordeel van €1.725,00 heeft behaald via drie onderzochte bankrekeningen. Verdachte heeft deze berekening bevestigd en erkend dat dit bedrag het resultaat is van zijn bijdrage aan het strafbare feit.

Op grond van het bewijs, waaronder proces-verbaal van bevindingen en verklaringen, is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel correct is vastgesteld. Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis, en verplicht tot betaling van het ontnemingsbedrag aan de Staat.

De rechtbank heeft tevens de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 34 dagen, conform artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer onder leiding van voorzitter M.A. van Leeuwen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf en ontneming van €1.725,00 wegens medeplegen van online-handelsfraude.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer : 05/105048-24
Datum uitspraak : 16 oktober 2024
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] .

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op
€ 7.875,00.

2.De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 1.725,00.

3.De beoordeling van de vordering

Op 16 oktober 2024 heeft de rechtbank tegen veroordeelde vonnis gewezen, waarbij veroordeelde, ter zake van het medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren, is veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. [1]
Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel sluit de rechtbank aan bij de berekening van de opbrengst zoals die volgt uit de analyse van de drie onderzochte rekeningnummers van veroordeelde. Hieruit blijkt dat veroordeelde gedurende de periode van 9 april 2023 t/m 9 juli 2023 een totaalbedrag van € 1.725,00 heeft ontvangen. [2] Veroordeelde heeft bevestigd dat de berekening correct is en dat hij dat bedrag door zijn bijdrage aan het strafbare feit heeft verdiend. [3]
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 1.725,00. De rechtbank zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 1.725,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering op
34 dagen.
Aldus gegeven door mr. M.A. van Leeuwen (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 oktober 2024.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023275225, gesloten op 5 februari 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 159.
3.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 oktober 2024.