ECLI:NL:RBGEL:2024:7039

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 september 2024
Publicatiedatum
16 oktober 2024
Zaaknummer
10945804
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:405 BWArt. 6:119a BWArt. 6:119 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering aanvullende werkzaamheden projectmanagement wegens ontbreken opdracht

Eiseres verrichtte tussen 2018 en medio 2021 projectmanagementwerkzaamheden voor gedaagde tegen een vaste vergoeding van €90.000, die volledig was betaald. Daarna vorderde eiseres betaling van €6.050 voor aanvullende werkzaamheden in verband met een gerechtelijke procedure tegen een bouwkundig aannemer, welke gedaagde niet heeft voldaan.

Gedaagde betwistte dat zij opdracht had gegeven voor deze aanvullende werkzaamheden en stelde dat deze waren inbegrepen in de vaste vergoeding. Eiseres kon niet onderbouwen dat er een aparte opdracht of betalingsafspraak was gemaakt voor deze werkzaamheden, noch specificeerde zij uren of tarieven.

De kantonrechter oordeelde dat eiseres haar stelling onvoldoende had onderbouwd en dat niet kon worden vastgesteld dat gedaagde opdracht had gegeven voor de aanvullende werkzaamheden. Daarom werd de vordering afgewezen, inclusief rente en buitengerechtelijke kosten. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van €813 en wettelijke rente over deze kosten.

Uitkomst: Vordering van eiseres tot betaling aanvullende werkzaamheden wordt afgewezen wegens ontbreken opdracht.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10945804 \ CV EXPL 24-1590
Vonnis van 11 september 2024
in de zaak van
[eiseres],
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: C. de Nijs,
tegen
[gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: E.J. van Os.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 april 2024;
- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Hierna heeft de kantonrechter partijen laten weten dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] heeft in de periode 2018 tot medio 2021 diverse werkzaamheden verricht voor [gedaagde] in het kader van projectmanagement voor nieuwbouw studio’s [naam project 1] . De werkzaamheden betroffen
“het geheel uit elkaar trekken van de bouwonderdelen, met maximaal 10 partijen, vergelijkbaar met [naam project 2] , toezicht en directievoering, opleveringen”.Hier stond een vaste vergoeding tegenover van in totaal € 90.000,00.
Deze werkzaamheden zijn door [eiseres] gefactureerd en door [gedaagde] betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.050,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in de periode medio 2021 tot eind 2022 in opdracht van [gedaagde] aanvullende werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van het project nieuwbouw studio’s [naam project 1] . Die werkzaamheden hadden betrekking op een gerechtelijke procedure die [gedaagde] heeft gevoerd met de bouwkundig aannemer van dat project. [gedaagde] heeft de factuur van € 6.050,00, die ziet op deze werkzaamheden, niet betaald waardoor zij op grond van de gesloten overeenkomst dan wel op grond van artikel 7:405 BW Pro de werkzaamheden alsnog moet vergoeden. Omdat [gedaagde] niet heeft betaald, maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW. Daarnaast zag [eiseres] zich door de wanbetaling genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Deze kosten van € 490,05 komen volgens [eiseres] ook voor rekening van [gedaagde] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze zaak staat centraal of [eiseres] opdracht heeft gekregen om de werkzaamheden, die zien op de procedure tegen de aannemer van [gedaagde] , (tegen betaling) te verrichten.
4.2.
Door [eiseres] is gesteld dat zij door [gedaagde] is gevraagd om hen te begeleiden in de procedure met de bouwkundig aannemer. [gedaagde] betwist dat zij [eiseres] hier een aanvullende opdracht voor heeft gegeven en stelt dat zij er, gelet op de opdracht, vanuit ging dat die werkzaamheden bij de totale vergoeding van € 90.000,00 inbegrepen waren. De werkzaamheden betroffen namelijk feitelijk ook de complete directievoering en dit hield volgens [gedaagde] voor [eiseres] mede de plicht en/of service in om de schade in verband met de gerechtelijke procedure enigszins te beperken. Bovendien stelt [gedaagde] dat het opstarten van de gerechtelijke procedure door de aannemer grotendeels te wijten is aan de handelswijze van [eiseres] zelf en heeft [eiseres] , omdat zij zich hiervoor verantwoordelijk voelde, op eigen initiatief tijd gestoken in de voorbereiding van de procedure. Er is nooit afgesproken dat voor deze werkzaamheden apart zou worden betaald. De rechtsgrond voor betaling van de factuur van € 6.050,00 ontbreekt dan ook volgens [gedaagde] .
4.3.
[eiseres] heeft daarop gesteld dat de werkzaamheden met betrekking tot de procedure niet in de vaste vergoeding van € 90.000,00 verdisconteerd waren. De werkzaamheden, op basis waarvan de prijs van € 90.000,00 is bepaald, waren namelijk vergelijkbaar met de werkzaamheden die [eiseres] eerder in opdracht van [bedrijf 1] , een rechtspersoon die deels dezelfde bestuurders kent als [gedaagde] , had uitgevoerd. Ondersteuning of begeleiding van een gerechtelijke procedure met de aannemer was daar beslist geen onderdeel van. Ook betwist [eiseres] dat haar handelswijze mede de oorzaak is van de procedure en dat zij op eigen initiatief tijd heeft gestoken in de werkzaamheden die zagen op de procedure. Bovendien is [eiseres] hier ook nooit op aangesproken door [gedaagde] . Volgens [eiseres] had [gedaagde] dan ook behoren te weten dat zij voor de werkzaamheden een vergoeding zou vragen, mede omdat [gedaagde] hier opdracht voor heeft gegeven.
4.4.
Omdat [gedaagde] de vordering van [eiseres] voldoende gemotiveerd heeft betwist, lag het op grond van artikel 150 Rv Pro op de weg van [eiseres] om te onderbouwen dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor de betreffende werkzaamheden en dat [eiseres] hiervoor betaald zou worden, bijvoorbeeld met een x-bedrag per uur of per dagdeel. Dit heeft [eiseres] niet gedaan. Er is bovendien door [eiseres] op zitting erkend dat er nooit duidelijke afspraken zijn gemaakt over betaling van de werkzaamheden. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiseres] haar stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende heeft onderbouwd. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] aan [eiseres] opdracht heeft gegeven om de werkzaamheden die zien op de procedure tegen (extra) betaling uit te voeren.
4.5.
Omdat niet kan worden vastgesteld dat betaling is overeengekomen, is er ook geen grond om redelijk loon in de zin van artikel 7:405 lid 2 BW Pro toe te kennen. Door [eiseres] is bovendien ook niet gesteld hoe zij haar loon op gebruikelijke wijze berekend of wat volgens haar een redelijk loon is voor de werkzaamheden. Aan de specificatie van de werkzaamheden is geen bedrag gekoppeld en ook blijkt nergens uit hoeveel uren of dagdelen [eiseres] aan de werkzaamheden heeft besteed en welk tarief zij per uur of dagdeel hanteert.
4.6.
De vordering van [eiseres] wordt daarom afgewezen. Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen, worden ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten afgewezen.
4.7.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
678,00
(2,00 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
813,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.
43576/62956