ECLI:NL:RBGEL:2024:7088
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.J. Westerbaan
- L.L. van Benthem
- W.E. van Asbeck
- Rechtspraak.nl
Overdrachtsbelasting op verkrijging certificaten aandelen in onroerendezaakrechtspersoon
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de heffing van overdrachtsbelasting op de verkrijging van certificaten van aandelen A in een vennootschap die kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon. De vennootschap verhuurt een onroerende zaak aan een derde partij, die deze vervolgens onderverhuurt aan een dochtermaatschappij van de vennootschap.
De kern van het geschil betrof de vraag of de doeleis van artikel 4 van Pro de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) was vervuld, namelijk of de onroerende zaak hoofdzakelijk dienstbaar was aan het exploiteren van die onroerende zaak en of sprake was van eigen gebruik binnen het concern. Belanghebbende stelde dat sprake was van eigen gebruik omdat de dochtermaatschappij de onroerende zaak gebruikte voor haar bedrijfsvoering.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van eigen gebruik, aangezien de onroerende zaak werd verhuurd aan een derde partij die een strategisch belang had bij de huur en de locatie exploiteerde. Hierdoor werd voldaan aan de doeleis en was de verkrijging van de certificaten van aandelen A terecht belast met overdrachtsbelasting.
Daarnaast stelde belanghebbende dat niet alle relevante stukken waren overgelegd, maar de rechtbank vond dat alle stukken waren aangeleverd en dat het ontbreken van eventuele interne correspondentie niet tot een ander oordeel zou leiden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat belanghebbende overdrachtsbelasting verschuldigd is en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de heffing van overdrachtsbelasting is ongegrond verklaard.