Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:7095

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
C/05/440018 KG RK 24-621
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 267 Wetboek van StrafvorderingArt. 348 Wetboek van StrafvorderingArt. 350 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken schijn van vooringenomenheid

In deze strafzaak verzocht de verdachte de wraking van de rechter wegens vermeende vooringenomenheid. De verdachte stelde meerdere gronden aan het wrakingsverzoek ten grondslag, waaronder vermeende onjuiste procesvoering, het voortijdig voorhouden van de voorlopige hechtenis, en het dreigen met verwijdering uit de zittingszaal.

De wrakingskamer beoordeelde alle aangevoerde gronden afzonderlijk en in onderlinge samenhang. Uit het proces-verbaal bleek dat de rechter haar regietaak uitoefende door de orde te handhaven en de verdachte te verzoeken niet te onderbreken. De opmerkingen van de rechter over de voorlopige hechtenis betroffen een juiste weergave van het wettelijke kader en vormden geen aanwijzing voor partijdigheid.

Ook het handelen van de rechter bij de behandeling van het verzoek op grond van artikel 267 Sv Pro en het mededelen van de beslissing na het wrakingsverzoek werd niet als vooringenomenheid beoordeeld. Het proces-verbaal werd als correct vastgesteld, ondanks enkele bezwaren van de verdachte.

De wrakingskamer concludeerde dat geen zwaarwegende aanwijzingen bestonden voor het aannemen van (de schijn van) vooringenomenheid en wees het wrakingsverzoek af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van de schijn van vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND, locatie Zutphen

Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/05/440018 / KG RK 24-621
Beslissing van 3 oktober 2024
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
[locatie] ,
thans feitelijk verblijvende [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
tegen
mr. M.C. van der Mei,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal d.d. 9 augustus 2024 van de terechtzitting in de zaak waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld,
  • de brief van verzoeker aan de wrakingskamer d.d. 28 augustus 2024,
  • de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek d.d. 9 september 2024,
  • de brief van verzoeker aan de wrakingskamer d.d. 9 september 2024,
  • de reactie van de rechter op de brief van verzoeker d.d. 16 september 2024,
  • de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek d.d. 19 september 2024, ter gelegenheid waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier. Door de rechter zijn schriftelijke aantekeningen overgelegd.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling van dit wrakingsverzoek zijn verschenen:
  • verzoeker,
  • de rechter.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met parketnummer
05/305350-21 met verzoeker als verdachte.
2.2.
Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
i. de rechter zei tijdens de terechtzitting ten onrechte dat verzoeker haar telkens onderbrak,
de rechter sorteerde voor op de einduitspraak door op te merken dat de voorlopige hechtenis doorloopt tot 60 dagen na de einduitspraak,
de rechter vroeg tijdens de terechtzitting aan de advocaat van verzoeker of “zij er chocola van kon maken” en liet daarmee blijken dat zij vooringenomen was,
de rechter heeft het verzoek van verzoeker op grond van artikel 267 Wetboek Pro van Strafvordering te kort voorgehouden en zich beperkt tot de eerste alinea van dat verzoek. Daarbij heeft de rechter het beroep van verzoeker op het vertrouwensbeginsel niet voorgehouden en heeft zij de stukken niet overgelegd,
de rechter heeft de beslissing op het verzoek van verzoeker op grond van artikel 267 Wetboek Pro van Strafvordering toch gegeven, ondanks dat verzoeker de rechter al had gewraakt,
het door de rechter vastgestelde proces-verbaal van de terechtzitting van 9 augustus 2024 is onvolledig en onjuist vastgesteld,
de rechter heeft tijdens de terechtzitting ten onrechte gedreigd dat zij verzoeker uit de zittingszaal zou laten verwijderen.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Als eerste wrakingsgrond heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter ten onrechte heeft gezegd dat hij haar tijdens de terechtzitting telkens onderbrak. Het is de taak van de voorzitter - in dit geval de rechter - om ter terechtzitting regie te voeren en de orde te handhaven. Daarbij komt de rechter een zekere mate van vrijheid toe. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting, dat leidend is, volgt dat verzoeker de rechter herhaaldelijk heeft onderbroken terwijl zij aan het woord was. Uit het enkele feit dat de rechter dit ter terechtzitting heeft benoemd en dat zij verzoeker heeft gevraagd om haar niet meer te onderbreken, volgt naar het oordeel van de wrakingskamer niet de schijn van partijdigheid van de rechter.
3.3.
Gelet op de hiervoor genoemde regietaak van de rechter leidt de wrakingsgrond genoemd onder vii. evenmin tot de schijn van partijdigheid. Uit het proces-verbaal volgt immers dat verzoeker de rechter opnieuw onderbrak terwijl zij op het punt stond om een beslissing mede te delen. Dat de rechter verzoeker heeft voorgehouden dat zij hem uit de zittingszaal zou laten verwijderen indien hij haar opnieuw zou onderbreken, valt binnen de ruimte die de rechter toekomt bij de uitoefening van haar regietaak.
3.4.
Verder heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter heeft voorgesorteerd op de einduitspraak door op te merken dat de voorlopige hechtenis doorliep tot 60 dagen na de einduitspraak. Uit deze opmerking volgt evenmin de schijn van partijdigheid van de rechter. De rechter heeft verzoeker enkel het wettelijk kader over voorlopige hechtenis voorgehouden, waarbij de wrakingskamer voor juist aanneemt dat de rechter daarbij “in beginsel” en “tenzij tussendoor een andere beslissing wordt genomen” heeft gezegd. Met deze voorlichtende en genuanceerde uitspraak heeft de rechter niet de schijn van partijdigheid op zich geladen.
3.5.
De derde en vierde wrakingsgrond hebben beide betrekking op de behandeling door de rechter op het verzoek van verzoeker op grond van artikel 267 Wetboek Pro van Strafvordering en zullen hierna tezamen worden beoordeeld. Verzoeker heeft kort gezegd aangevoerd dat de rechter het verzoek ondeugdelijk heeft behandeld. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting volgt echter, anders dan door verzoeker is betoogd, dat de rechter het verzoek wel degelijk aan verzoeker, die ermee bekend was aangezien het zijn eigen verzoek betrof, en de andere procesdeelnemers (de advocaat van verzoeker die het verzoek niet kende en de officier van justitie) heeft voorgehouden. Dit mocht zij in samenvattende vorm doen. De wrakingskamer kan niet plaatsen wat verzoeker bedoelt met de stelling dat het verzoek niet aan hem is overgelegd.
Ook volgt uit het proces-verbaal dat de rechter het onderzoek ter terechtzitting heeft onderbroken voor overleg tussen verzoeker en zijn advocaat en dat de advocaat het verzoek daarna namens verzoeker nader heeft mogen toelichten. Daarbij is de advocaat door de rechter verzocht de juridische grondslag nader toe te lichten met onder meer het verzoek er “juridisch chocola van te maken”. Uit deze gang van zaken en deze in spreektaal aan de advocaat meegegeven opdracht volgt niet dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.
3.6.
Verder heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter is doorgegaan met het mededelen van de beslissing nadat hij om wraking had verzocht. Uit dit enkele feit volgt naar het oordeel van de wrakingskamer evenmin dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Uit het proces-verbaal blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting onderbroken werd voor beraad. Na dit beraad is het onderzoek hervat. Voor iedereen was duidelijk dat op dat moment de rechter, in haar hoedanigheid van voorzitter, de in raadkamer meervoudig genomen beslissing wilde mededelen. Vervolgens werd zij (wederom) onderbroken door verzoeker. Dat zij die onderbreking niet heeft toegestaan en (eerst) de beslissing op het verzoek heeft medegedeeld, is niet onbegrijpelijk. Dit valt binnen de regietaak die de rechter toekomt en levert geen zwaarwegende aanwijzing op voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid, te meer nu het ging om een reeds meervoudig genomen beslissing die enkel nog moest worden uitgesproken. Anders dan in de door verzoeker aangehaalde uitspraken ging het hierbij ook niet om een eindbeslissing (ex artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering) zodat verzoeker ook na de mededeling van de reeds genomen beslissing nog voldoende gelegenheid had om zijn standpunt naar voren te brengen.
3.7.
Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat het vastgestelde proces-verbaal onjuist en onvolledig zou zijn. Verzoeker heeft onder meer aangevoerd dat de rechter ter terechtzitting al eens eerder zou hebben gedreigd om hem uit de zittingszaal te laten verwijderen, terwijl dit niet in het proces-verbaal staat opgenomen. Vooropgesteld wordt dat het proces-verbaal van de zitting geen minutieus verslag betreft van al hetgeen is voorgevallen. Aantekening geschiedt van de in acht genomen vormen, de zakelijk inhoud van verklaringen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak voorvalt. Wat daaronder dient te worden verstaan, is ter beoordeling van de voorzitter en de griffier. Dit betekent dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat de rechter eerder heeft gezegd dat zij verzoeker uit de zittingszaal zou laten verwijderen, het niet opnemen van deze mededeling er niet toe leidt dat daarmee de schijn van vooringenomenheid is gewekt. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat het proces-verbaal niet door de griffier is ondertekend en dus niet door de griffier is vastgesteld, zoals erin staat vermeld. Deze stelling van verzoeker is niet juist. Uit het proces-verbaal volgt immers dat het proces-verbaal wel degelijk door de voorzitter en de griffier is vastgesteld. Dat het bij ontstentenis van de griffier enkel door de voorzitter is ondertekend, staat aan de gezamenlijke vaststelling niet in de weg.
3.8.
De wrakingskamer is van oordeel dat geen van de wrakingsgronden, ook niet in onderlinge samenhang bezien, ertoe leidt dat moet worden geoordeeld dat door de rechter de schijn van vooringenomenheid is gewekt. Het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, mr. S.C.A.M. Janssen en mr. M.M. Klaasen, leden in tegenwoordigheid van de griffier mr. [griffier] en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.