Uitspraak
1.De procedure
2.De beoordeling
€ 9.016,22.
Rechtbank Gelderland
In deze civiele zaak stond de omvang van de schadevergoeding na vroegtijdige beëindiging van een contract centraal. De eiser stelde dat door het contract twee jaar eerder te beëindigen dan afgesproken, sprake was van vermogensschade. De rechtbank stelde vast dat de schade berekend moest worden door de hypothetische vermogenssituatie bij nakoming te vergelijken met de werkelijke situatie.
De eiser had aannemelijk gemaakt dat bij nakoming een omzet van €9.016,22 behaald zou zijn, gebaseerd op afnamegegevens uit 2019. De gedaagde voerde aan dat de omzet in latere jaren lager was en dat er rekening gehouden moest worden met gestegen kosten, maar deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd geacht. De rechtbank hield rekening met bespaarde transportkosten van €219,33 en een reeds toegekende bonus van €1.333,33, waardoor de toe te wijzen schadevergoeding €7.463,56 bedroeg.
Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van €125 toegewezen en werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de eiser (€1.775,44) en de eigen proceskosten (€169,50). De vorderingen in reconventie werden afgewezen. Het vonnis werd door de kantonrechter S.E. Sijsma uitgesproken op 23 oktober 2024.
Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot betaling van €7.463,56 schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.