De vader verzocht de rechtbank om een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen en een raadsonderzoek te gelasten naar de mogelijkheden van contact. De moeder voerde verweer en stelde dat omgang schadelijk zou zijn voor het kind, mede vanwege de strafrechtelijke achtergrond van de vader en de trauma's die het kind heeft opgelopen.
De kinderrechter sprak met de minderjarige, die duidelijk aangaf geen contact met zijn vader te willen en zelfs angst voor hem te voelen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde afwijzing van het verzoek en geen raadsonderzoek, vanwege de stress en spanning die contact met de vader zou veroorzaken.
De rechtbank oordeelde dat het recht op omgang ontzegd kan worden als omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke ontwikkeling van het kind en als het kind van twaalf jaar of ouder ernstige bezwaren tegen omgang heeft geuit. Gezien de omstandigheden en het advies van de Raad wees de rechtbank het verzoek af en ontzegde het recht op omgang. Tevens werd het verzoek tot raadsonderzoek afgewezen om verdere stress bij het kind te voorkomen.