De verdachte was geschorst van voorlopige hechtenis onder de voorwaarde dat hij zich zou laten opnemen in een kliniek voor behandeling. De officier van justitie verzocht de schorsing op te heffen omdat uit een rapport van het Leger des Heils bleek dat verdachte zich niet aan deze voorwaarden hield.
De verdediging voerde aan dat de officier van justitie niet tijdig de vordering had ingediend en dat de rechtbank daardoor niet bevoegd zou zijn om te beslissen. De rechtbank oordeelde echter dat de vordering onverwijld was ingediend en dat een beslissing op maandag na een vrijdagmiddag indiening tijdig is, ook gelet op de sluiting in het weekend.
De rechtbank stelde vast dat verdachte zich onttrok aan de behandeling en dat hernieuwde opname een te groot risico op hernieuwde onttrekking met zich meebrengt. Het belang van de strafvordering weegt zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte. Daarom werd de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven en geen nieuwe schorsing toegekend.