Eisers, als executeurs van de nalatenschap van hun overleden ouders, vorderen de ontruiming van de woning waarin gedaagde, hun broer, woont. Gedaagde erkent dat de woning verkocht moet worden, maar maakt bezwaar tegen de wijze van ontruiming en zijn woonruimte.
De rechtbank stelt vast dat gedaagde aanvankelijk met toestemming van zijn ouders in de woning verbleef, maar dat dit gebruiksrecht is beëindigd door een opzegging van eisers. De woning moet verkocht worden omdat geen erfgenaam financieel in staat is deze over te nemen. De aanwezigheid van gedaagde belemmert de verkoop en het opknappen van de woning.
Hoewel gedaagde aangeeft niet te weten waar hij na vertrek moet wonen, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zich heeft ingespannen voor vervangende woonruimte. Eisers hebben een hulptraject aangeboden en een voorschot van € 2.000,- toegezegd bij vrijwillige ontruiming binnen vier weken.
De voorzieningenrechter wijst de vordering toe met een ontruimingstermijn van vier weken, een dwangsom van € 500 per dag tot maximaal € 10.000, en machtigingen voor afvoer van achtergelaten eigendommen en vervanging van sloten. De machtiging voor inzet van de sterke arm wordt afgewezen omdat deurwaarders deze bevoegdheid zelfstandig hebben. Proceskosten worden gecompenseerd.