ECLI:NL:RBGEL:2024:7600

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 oktober 2024
Publicatiedatum
4 november 2024
Zaaknummer
AWB 23/3326
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroepsprocedure

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten van het bestuursorgaan. Dit verzoek werd gedaan nadat verweerder beroep had ingesteld tegen een besluit van de minister van 12 april 2023, maar dit beroep tijdens de zitting van 17 september 2024 had ingetrokken.

De rechtbank oordeelt dat een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet mogelijk is omdat deze bepaling alleen ziet op situaties waarin een uitspraak op het beroep wordt gedaan. Door de intrekking van het beroep is er geen uitspraak gedaan en kan het verzoek niet worden beoordeeld.

Voorts overweegt de rechtbank dat artikel 8:75a, eerste lid, Awb wel een veroordeling in proceskosten mogelijk maakt wanneer het beroep wordt ingetrokken vanwege tegemoetkoming door het bestuursorgaan, maar dat deze bepaling niet voorziet in een veroordeling van een natuurlijk persoon in de proceskosten van het bestuursorgaan na intrekking.

De rechtbank concludeert dat er geen wettelijke grondslag is voor het verzoek van de minister en wijst dit daarom af. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem op 9 oktober 2024.

Uitkomst: Het verzoek van de minister om verweerder te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/3326

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2])
en

[verweerder] , uit [woonplaats] , verweerder

(gemachtigde: mr. M.J. van Dam).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van de minister om een veroordeling van verweerder (zijnde eiser in de bodemprocedure) in de proceskosten van de minister. De minister heeft dit verzoek gedaan in zijn verweerschrift van 4 juli 2023 in het beroep van verweerder tegen zijn besluit van 12 april 2023. De minister heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van misbruik van procesrecht door verweerder.
1.1.
Verweerder heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 12 april 2\023. Dit beroep zou worden behandeld tijdens de zitting van 17 september 2024, maar dit beroep is ter zitting ingetrokken.
1.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de minister tijdens de zitting van 17 september 2024 behandeld. De minister en verweerder hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
1.3.
De gemachtigde van verweerder heeft tijdens de zitting mondeling gereageerd op het verzoek van de minister. Daarbij heeft hij zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen grondslag biedt om verweerder te veroordelen in de proceskosten van de minister. [1] De minister heeft daar tijdens de zitting op gereageerd en te kennen gegeven dat zijn verzoek is gebaseerd op artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Dat artikel staat volgens de minister los van het bepaalde in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek van de minister om verweerder te veroordelen in zijn proceskosten in het beroep van verweerder tegen het besluit van de minister van 12 april 2023 af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat een proceskostenveroordeling (van de minister of van verweerder) op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, niet meer mogelijk is, omdat verweerder het beroep tegen het besluit van de minister van 12 april 2023 heeft ingetrokken. Deze bepaling ziet namelijk (uitsluitend) op de situatie dat er een uitspraak wordt gedaan op het beroep. Vanwege de intrekking van het beroep, wordt er geen uitspraak op het beroep gedaan en kan het verzoek van de minister (dus) ook niet beoordeeld worden.
2.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter, als een beroep door de indiener daarvan wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen en de indiener van het beroep (dat is in dit geval verweerder) daarom vraagt, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
2.3.
In artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is niet bepaald dat de bestuursrechter een natuurlijk persoon kan veroordelen in het betalen van de proceskosten van het bestuursorgaan wanneer de natuurlijk persoon het beroep heeft ingetrokken. Uit de memorie van toelichting op deze bepaling blijkt ook dat de wetgever heeft beoogd dat de bijzondere rechtsgang van artikel 8:75a Awb alleen kan worden gebruikt voor het verkrijgen van een uitspraak over de veroordeling van een bestuursorgaan in de kosten die de indiener van het beroepschrift heeft gemaakt. [2] Er bestaat daarom geen wettelijke basis voor een verzoek als de minister heeft gedaan. Alleen al om die reden moet het verzoek worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek van de minister tot veroordeling van verweerder in zijn proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.W. Monteiro, voorzitter, en mr. M.J. van Lee en
mr. A.S.W. Kroon, leden, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 augustus 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3445.
2.MvT Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 780, nr. 3 (bladzijde 7).