Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- de mondelinge behandeling gehouden op 14 november 2024,
- de pleitnota van [ged in conv/eis in reconv] .
Rechtbank Gelderland
Partijen hadden een affectieve relatie en kochten samen in maart 2020 een labrador, waarvoor zij gezamenlijk zorgden. Na het beëindigen van hun relatie in 2022 woonden zij tot het najaar van 2024 samen met de hond. De gedaagde verhuisde naar het buitenland en de eiseres naar een andere plaats. Beiden vorderden in kort geding de afgifte van de hond.
De voorzieningenrechter oordeelde dat sprake is van mede-eigendom en een beperkte gemeenschap volgens artikel 3:166 BW Pro. Vooruitlopend op de bodemprocedure over de verdeling ex artikel 3:185 BW Pro werd een voorlopige voorziening getroffen. De belangenafweging richtte zich op verblijfplaats, financiële situatie, verzorging en tijdsbesteding.
Beide partijen toonden liefdevolle zorg en voldoende financiële draagkracht. De doorslag gaf dat de gedaagde het laatste jaar de meeste tijd met de hond doorbracht en waarschijnlijk de komende periode ook veel thuis zal zijn. Daarom werd de hond aan de gedaagde toegewezen, met een dwangsom bij niet-naleving en kostencompensatie.
Uitkomst: De hond wordt bij voorlopige voorziening aan de gedaagde toegewezen met een dwangsom en kostencompensatie.