ECLI:NL:RBGEL:2024:8064

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 oktober 2024
Publicatiedatum
19 november 2024
Zaaknummer
442463
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:265j lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Gelderland heeft op 28 oktober 2024 een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van beide maatregelen voor de duur van een jaar, welke de rechtbank toewijst.

Hoewel artikel 1:265j lid 3 BW voorschrijft dat bij een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing van twee jaar of langer een advies van de Raad voor de Kinderbescherming vereist is, ontbrak dit advies in deze zaak. De GI had het advies wel gevraagd, maar de Raad had het verzoek nog niet behandeld. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van het advies in dit geval niet aan de toewijzing in de weg staat, omdat de gronden voor verlenging duidelijk zijn en de moeder achter het verzoek staat.

De minderjarige is sinds voor de geboorte onder toezicht gesteld vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling door problematiek bij de ouders, waaronder verslavingsproblematiek bij de moeder en afwezigheid van de vader. De pleegouders bieden een stabiele omgeving. De rechtbank verlengt daarom zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 november 2025 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 1 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/442463 / JE RK 24-1070
Datum uitspraak: 28 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij deze rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2024. Daarbij was aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Correct opgeroepen, maar niet verschenen zijn:
- de moeder, en
- de pleegouders.
1.4.
De moeder en de pleegouders hebben de kinderrechter niet geïnformeerd over hun standpunt met betrekking tot het verzoek van de GI. De GI heeft de kinderrechter medegedeeld tijdens de mondelinge behandeling dat zij haar verzoek en deze mondelinge behandeling met de moeder heeft besproken en dat de moeder het niet nodig vond, gelet op het verzoek van de GI, om naar de mondelinge behandeling te komen. De moeder staat volgens de GI achter het verzoek. De GI had de moeder verzocht om zich bij de rechtbank af te melden voor de mondelinge behandeling, maar vermoedt dat dit de moeder niet is gelukt vanwege haar problematiek.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft in de beschikking van 27 oktober 2023 de ondertoezichtstelling verlengd tot 1 november 2024. In die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot
1 november 2024.
2.3.
[minderjarige] woont bij de pleegouders.

3.De verzoeken

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

Vooraf: het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
4.1.
Op grond van artikel 1:265j lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) moet, als een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, het verzoek tot verlenging van die ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de GI vergezeld gaan van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
4.2.
De kinderrechter stelt vast dat de GI een dergelijk advies van de Raad niet heeft overgelegd. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de Raad wel heeft gevraagd om het advies, maar dat de Raad haar bij navraag heeft laten weten dat zij het verzoek nog niet had behandeld. Ondanks het ontbreken van het advies van de Raad zal de kinderrechter de verzoeken van de GI toewijzen. Het ontbreken van het advies hoeft namelijk niet in de weg te staan aan beoordeling (en toewijzing) van deze verzoeken [1] als de kinderrechter goed uitlegt waarom het advies in dit geval niet nodig is. De kinderrechter licht haar beslissingen hieronder toe.
Verzoek verlenging ondertoezichtstelling
4.3.
[minderjarige] is al vóór zijn geboorte onder toezicht gesteld op 1 november 2021 voor de duur van een jaar zodat de juiste hulp voor hem kan worden ingezet en daarmee zijn verzorging, opvoeding en veiligheid kunnen worden gewaarborgd. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke criteria zoals genoemd in artikel 1:255 BW Pro. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd omdat de ouders door eigen problematiek onvoldoende stabiel zijn om [minderjarige] te kunnen verzorgen en opvoeden en ook de omgang met [minderjarige] op dit moment niet stabiel is. De moeder heeft veel meegemaakt en eigen problematiek, waaronder verslavingsproblematiek. Volgens de GI gaat het op dit moment niet goed met haar, waardoor zij ook op dit moment niet in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. In sommige perioden is moeder ook vaak ziek en lukt het haar niet altijd om op de bezoekmomenten met [minderjarige] te komen. Voor [minderjarige] schept dat onduidelijkheid en onvoorspelbaarheid en dat vormt eveneens een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De kinderrechter vindt het wel positief dat de moeder met zichzelf aan de slag wil gaan en op de wachtlijst staat voor opname in een verslavingszorgkliniek. Ook over de vader zijn er zorgen. Gebleken is dat de vader niet wil samenwerken of contact wil hebben met de GI. De GI heeft daarom ook geen zicht op hoe het met de vader gaat. De vader kwam al onregelmatig naar omgangsmomenten. Sinds de relatiebreuk van de ouders in juli 2024, is de vader echter volledig uit beeld geraakt en niet meer naar omgangsmomenten gekomen. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat wordt geprobeerd via de familie van de vader in contact te komen met de vader. Het gebrek aan (stabiel) contact met de beide ouders en de onduidelijkheid over de rol van de vader in de toekomst, vormen naar oordeel van de kinderrechter ook een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW Pro, zodat (verlenging van) de ondertoezichtstelling noodzakelijk is.
Verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing
4.4.
Ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] acht de kinderrechter noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De moeder kan [minderjarige] op dit moment niet bieden wat hij nodig heeft om op te groeien en met de vader is er op dit moment al enige tijd helemaal geen contact (meer). De moeder zal mogelijk op termijn worden opgenomen in een verslavingszorgkliniek waardoor zij daardoor ook niet (volledig) beschikbaar kan zijn voor [minderjarige] . Omdat de pleegouders volgens de GI goed kunnen aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige] en [minderjarige] hij hen op zijn plek is, is het goed voor [minderjarige] om zijn verblijf bij de pleegouders voort te zetten. Daarvoor is het nodig om de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar te verlengen.
4.5.
Het advies van de Raad dat op grond van artikel 1:265j lid 3 BW bij het verlengingsverzoek va de GI had moeten worden gevoegd, is bedoeld om de kinderrechter goed te kunnen laten beoordelen of verlenging nog steeds aangewezen is, of dat de maatregel kan vervallen of een gezagsbeëindigende maatregel meer voor de hand ligt [2] . Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt naar oordeel van de kinderrechter al duidelijk dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van onverminderd aanwezig zijn. De ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing duurt door toewijzing van de door de GI gevraagde verlengingen dus niet onnodig voort. De moeder was bovendien op de hoogte van de verzoeken van de GI en van deze mondelinge behandeling, maar heeft ervoor gekozen om niet te komen en heeft de kinderrechter ook niet op andere wijze geïnformeerd over haar standpunt. De kinderrechter gaat er dan ook vanuit dat de moeder het eens is met de verzoeken van de GI, zoals de GI heeft medegedeeld. Gelet hierop is het advies van de Raad niet nodig voor een goede beoordeling in deze zaak. Omdat het advies van de Raad wel is gevraagd, zal het bij een eventueel volgend verlengingsverzoek alsnog kunnen worden meegewogen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 1 november 2025;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 november 2025;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2024 door mr. J.L.F. van den Tooren, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Stroink als griffier, en op schrift gesteld op 4 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:454.
2.HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:454.