ECLI:NL:RBGEL:2024:8228

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 november 2024
Publicatiedatum
25 november 2024
Zaaknummer
11209528
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing transitie- en aanzegvergoeding na beëindiging arbeidsovereenkomst

In deze arbeidsrechtelijke procedure stond centraal of tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was gesloten. De werknemer zag af van bewijslevering, waardoor de kantonrechter aannam dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2024 was geëindigd.

De werknemer vorderde een transitievergoeding en een aanzegvergoeding, welke niet door de werkgever werden betwist. De kantonrechter oordeelde dat deze vergoedingen terecht waren en wees deze toe, inclusief wettelijke rente. Het tegenverzoek van de werkgever tot terugbetaling van vermeend teveel betaald loon werd afgewezen vanwege gebrek aan grondslag.

Ten aanzien van proceskosten werd de werknemer grotendeels in het ongelijk gesteld vanwege het niet toegewezen primaire verzoek, maar de kantonrechter vond het niet verwijtbaar dat de procedure was gestart. De proceskosten werden daarom deels gecompenseerd. De werkgever werd veroordeeld in de kosten van het tegenverzoek, omdat dit onnodig was gedaan. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de transitie- en aanzegvergoeding toe en veroordeelt de werkgever gedeeltelijk in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 11209528 \ HA VERZ 24-42
Beschikking van 25 november 2024
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. K.W.A. Wools,
tegen
STICHTING WAALHALLA,
te Nijmegen,
verwerende partij,
hierna te noemen: Stichting Waalhalla,
gemachtigde: mr. Y. Breure en mr. V. Groenen.

1.Inleiding

In de tussenbeschikking van 24 september 2024 is geoordeeld dat de werknemer moet bewijzen dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen tussen partijen. Werknemer heeft aangegeven geen bewijs te willen leveren. Daarom wordt geoordeeld op basis van het uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De vraag is welke vergoedingen de werknemer dan toekomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 24 september 2024 en de daarin genoemde processtukken;
- de brief van mr. Wools van 21 oktober 2024.

3.De verdere beoordeling

3.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 24 september 2024. [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat tussen hem en Waalhalla een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen is. In de brief van mr. Wools van 21 oktober 2024 is namens [verzoeker] afgezien van bewijslevering. Volgens [verzoeker] kan hij niet bewijzen wat niet is afgesproken. Hij verzoekt de kantonrechter daarom terug te komen op het eerder gegeven oordeel.
3.2.
De kantonrechter ziet daartoe geen reden. Onder verwijzing naar de in de tussenbeschikking gegeven motivering geldt dat [verzoeker] bewijs had kunnen leveren van zijn stelling. Dit is geen opdracht tot het leveren van bewijs van iets dat niet is afgesproken, maar van feiten en omstandigheden die tot het oordeel hadden kunnen leiden dat wilsovereenstemming bestond over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
3.3.
Nu van bewijslevering is afgezien, wordt aangenomen dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2024 is geëindigd. De subsidiaire verzoeken van [verzoeker] zijn voor dat geval gedaan, zodat deze ter beoordeling voorliggen. [verzoeker] heeft een transitievergoeding van € 2.097,14 bruto gevorderd en een aanzegvergoeding op grond van artikel 7:668 BW Pro van € 1.854,26 bruto, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze verzoeken zijn niet betwist door Waalhalla en naar het oordeel van de kantonrechter ook terecht gedaan. Daarom worden deze verzoeken toegewezen.
3.4.
Waalhalla heeft een tegenverzoek gedaan. Zij verzoekt [verzoeker] te veroordelen tot terugbetaling van beweerdelijk teveel betaald loon. Gelet op hetgeen in de tussenbeschikking onder 5.6 is overwogen, is hiervoor echter geen grond. Het tegenverzoek wordt afgewezen.
3.5.
[verzoeker] heeft verzocht Waalhalla in de proceskosten te veroordelen, zowel in de kosten voor het verzoek als het tegenverzoek. Dit verzoek is in de brief van 21 oktober 2024 nog eens herhaald en nader gemotiveerd. Waalhalla heeft verzocht om [verzoeker] te veroordelen de proceskosten.
3.6.
Met betrekking tot het door [verzoeker] in deze procedure gedane verzoek geldt dat het er primair op gericht was om te laten vaststellen dat hij nog immer in dienst was van Waalhalla. Dit verzoek wordt echter niet toegewezen en [verzoeker] wordt dus voor een belangrijk deel in het ongelijk gesteld. Voor het (desalniettemin) veroordelen van Waalhalla in de proceskosten heeft [verzoeker] aangevoerd dat aan hem de onweersproken transitievergoeding en aanzegvergoeding niet zijn betaald. De kantonrechter vindt dat echter gezien de primaire stellingname van [verzoeker] buiten en in rechte niet verwijtbaar. [verzoeker] stelt dat hij deze procedure heeft moeten starten om deze bedragen betaald te krijgen, maar deze zijn alleen verschuldigd omdat nu, na het voeren van de procedure, van het einde van de arbeidsovereenkomst wordt uitgegaan. Een deel van de vordering van [verzoeker] wordt daarom toegewezen. De proceskosten in het verzoek zullen op grond van het voorgaande worden gecompenseerd.
3.7.
Het tegenverzoek wordt afgewezen en Waalhalla wordt op dat punt in het ongelijk gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat dit verzoek onnodig is gedaan, omdat Waalhalla na enig onderzoek zelf ook kon vaststellen dat aan [verzoeker] het minimumloon is voldaan. Dit staat ook op de door Waalhalla zelf verstrekte loonstroken. De kantonrechter zal Waalhalla daarom veroordelen in de kosten van het tegenverzoek. Ook de nakosten worden toegewezen.
3.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt Waalhalla tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding van € 2.097,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot de dag van algehele betaling,
4.2.
veroordeelt Waalhalla tot betaling aan [verzoeker] van de aanzegvergoeding van € 1.854,26 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2024 tot de dag van algehele betaling,
4.3.
veroordeelt Waalhalla tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 543 aan proceskosten en € 135 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van deze beschikking tot de dag van algehele voldoening, en compenseert de proceskosten voor het overige,
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2024.
560