Uitspraak
1.[Gedaagde 1] ,
2.
[Gedaagde 2],
Rechtbank Gelderland
Vivare vordert ontbinding en ontruiming van een gehuurde woning wegens het niet hebben van het hoofdverblijf in de woning en het ongeoorloofd in gebruik geven van de woning aan derden.
De huurovereenkomst is gesloten in 2014 tussen Vivare en twee hoofdhuurders. Eén hoofdhuurder, [Gedaagde 2], woont sinds begin 2021 elders en staat daar ook ingeschreven. De kantonrechter oordeelt dat haar hoofdverblijf niet in het gehuurde is en wijst de ontbinding toe, maar wijst ontruiming af wegens gebrek aan belang.
De andere hoofdhuurder, [Gedaagde 1], woont wel feitelijk in het gehuurde en heeft de stelling van Vivare dat hij niet zijn hoofdverblijf daar heeft, voldoende weersproken. Daarnaast is er een procedure over medehuurderschap van een derde, die niet-ontvankelijk is verklaard, waardoor de bescherming van artikel 7:267 lid 2 BW Pro nog geldt. Daarom worden de vorderingen tegen [Gedaagde 1] afgewezen.
Vivare wordt in de proceskosten veroordeeld wegens het onnodig starten van de procedure zonder eerst contact te zoeken. De kantonrechter benadrukt het belang van goed huurderschap en de bescherming die de wet biedt aan huurders bij medehuurderschap.
Het vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en uitgesproken op 21 februari 2024.
Uitkomst: De huurovereenkomst met één hoofdhuurder wordt ontbonden, de vorderingen tegen de andere hoofdhuurder worden afgewezen.