De rechtbank Gelderland behandelde verzoeken van verzoeker tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in procedures rondom intrekking, beëindiging en terugvordering van bijstand, een boete en brutering.
Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem had besluiten genomen die later werden ingetrokken, waarna verzoeker schadevergoeding en proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn in alle procedures was overschreden en dat de overschrijding deels aan de Staat en deels aan het college moest worden toegerekend.
De rechtbank stelde vast dat de zaken over intrekking en brutering niet samenhingen en beoordeelde ze afzonderlijk. Voor de boeteprocedure werd de schadevergoeding gerelateerd aan de gebruikelijke boetevermindering bij termijnoverschrijding. De proceskosten werden verdeeld tussen Staat en college, waarbij ieder de helft moest betalen.
De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van € 2.053,18 en het college tot € 11,82 aan schadevergoeding, en beiden tot betaling van € 218,75 aan proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter G.J.H. Boerhof en griffier N. ter Horst.