Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
[eiseres sub 2],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 7 november 2024,
- de pleitnota van [eisers] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.De feiten
de Samenwerkingsovereenkomst)
Rechtbank Gelderland
Partijen zijn kaakchirurgen die samenwerken in twee maatschappen en betrokken zijn bij een gezamenlijk ZBC via een holding en dochterondernemingen. Na beëindiging van samenwerking en uittreden van een maat ontstond een geschil over het opstarten van een concurrerende praktijk zonder schriftelijke toestemming, zoals vereist in de maatschapsakte en aandeelhoudersovereenkomst.
De gedaagde legde conservatoir derdenbeslag op de bankrekeningen van eisers ter zekerheid van een vordering van circa €1,8 miljoen wegens vermeende schending van het non-concurrentiebeding en het niet nakomen van samenwerkingsafspraken. Eisers vorderden opheffing van het beslag, stellende dat de vordering summierlijk ondeugdelijk is en het beslag hun inkomen en pensioen raakt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de vordering ondeugdelijk is. De belangenafweging leidt niet tot opheffing van het beslag, mede omdat het beslag slechts een deel van de mogelijke vordering dekt en eisers geen vervangende zekerheid boden. Ook andere vorderingen van eisers worden afgewezen wegens gebrek aan belang of onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van €1.973,00 en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en eisers worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.