ECLI:NL:RBGEL:2024:8899

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 december 2024
Publicatiedatum
12 december 2024
Zaaknummer
443964
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvVerdrag van IstanbulArt. 31 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing voorlopige zorgregeling wegens aanhoudende zorgen over veiligheid minderjarige

In deze zaak heeft de kinderrechter de voorlopige zorgregeling gewijzigd en geschorst op verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) vanwege aanhoudende meldingen over mogelijke onveiligheid van de minderjarige. De minderjarige woont bij de moeder en staat onder toezicht van de GI. De voorlopige regeling voorzag in begeleid contact met de vader, maar de GI en Raad voor de Kinderbescherming uitten ernstige zorgen over de veiligheid en het welzijn van het kind.

De kinderrechter benadrukt dat het geen strafrechtelijk onderzoek betreft en geen oordeel wordt gegeven over mogelijke strafbare feiten. Wel wordt de beslissing genomen in het belang van het kind, waarbij het Verdrag van Istanbul centraal staat. Dit verdrag verplicht de rechter om bij omgangsregelingen rekening te houden met geweld en de veiligheid van het kind.

De zorgen zijn sinds de vorige beschikking toegenomen door nieuwe meldingen van mogelijk seksueel misbruik en mishandeling. De GI kan de vader niet goed inschatten, mede door tegenstrijdig gedrag en gebrek aan openheid. Daarom wordt de omgang opgeschort totdat er meer duidelijkheid is vanuit de strafzaak of een persoonlijkheidsonderzoek.

De moeder steunt het verzoek, de vader betwist de beschuldigingen en wijst op de onschuldpresumptie. De Raad adviseert toewijzing van het verzoek. De kinderrechter besluit de voorlopige zorgregeling te schorsen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De voorlopige zorgregeling wordt geschorst vanwege aanhoudende zorgen over de veiligheid van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/443964 / JE RK 24-1201
Datum uitspraak: 13 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Nijmegen,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.G.M. ter Avest te Utrecht,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.M. Sent te Amsterdam.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Raad voor de Kinderbescherming uitgenodigd om de kinderrechter te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 19 november 2024;
  • het verweerschrift van de moeder van 27 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Door beide advocaten zijn spreekaantekeningen overgelegd.
1.3.
Het verzoek van de GI is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de vader tot het treffen van provisionele voorzieningen in het kader van de lopende procedure over de zorgregeling.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 23 februari 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 23 februari 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 juli 2024 een
voorlopigezorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [de minderjarige] voor de duur van het raadsonderzoek iedere week twee uur begeleid contact met de vader heeft, onder begeleiding van een professional. In deze beschikking is de Raad verzocht onderzoek te doen en te rapporteren over de definitieve zorgregeling.

3.Het verzoek van de GI

3.1.
De GI verzoekt:
  • de op 4 juli 2024 vastgestelde voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat de omgang wordt opgeschort tot er vanuit de strafzaak een uitspraak is gedaan en er meer zicht is op de zorgen die dit meebrengt in het opstarten van het contact tussen [de minderjarige] en de vader dan wel er vanuit een persoonlijkheidsonderzoek meer duidelijkheid is over de vader en wat er van hem verwacht kan worden in het contact met zijn dochter,
  • de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft een plan gemaakt voor de begeleide regeling samen met de [naam organisatie] , een organisatie uit [plaatsnaam] . De officier van justitie (OvJ) heeft op 4 november 2024 een mail gestuurd naar de jeugdbeschermers met de volgende inhoud:
“Er is sprake van een vermoeden van een ernstig strafbaar feit dat in onderzoek is. Vanwege het onderzoeksbelang kan geen verdere mededeling worden gedaan. Er zijn zorgen om [de minderjarige] en haar veiligheid of welbevinden.”
3.3.
De GI valt op dat de vader [de minderjarige] zelden bij naam noemt. Vaak spreekt hij over ‘het kind’ en bij Veilig Thuis schijnt hij haar met regelmaat ‘de patiënt’ te hebben genoemd. De vader vraagt niet naar het welzijn van [de minderjarige] en legt geen druk op snel contactherstel. De vader benoemt bang te zijn voor instanties en heftige emoties te ervaren in gesprekken, maar laat dit non-verbaal niet zien. De GI kan de vader niet lezen/peilen. De GI kan niet inschatten wat er in de vader omgaat. Wat hij zegt komt niet overeen met wat hij uitstraalt. In combinatie met de melding van de OvJ kan de GI de veiligheid van [de minderjarige] onvoldoende inschatten, ook bij een begeleide regeling. De GI vraagt daarom om de omgang op te schorten tot er vanuit de strafzaak een uitspraak is gedaan, dan wel wanneer er vanuit een persoonlijkheidsonderzoek meer duidelijkheid is over de persoon van vader en wat er van hem verwacht kan worden in het contact met zijn dochter.
3.4.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat zij naar aanleiding van het sepot van de zedenzaak hebben nagevraagd bij de OvJ of hiermee ook de zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] zijn weggenomen. De OvJ heeft aangegeven dat dit niet het geval is. Vervolgens is op vrijdag 29 november 2024 een nieuwe melding bij Veilig Thuis over mogelijk seksueel misbruik gedaan. Veilig Thuis heeft de GI hierover geïnformeerd. Ook school signaleert dat [de minderjarige] uitspraken doet over mishandeling. De GI kan vanwege de aanhoudende meldingen over mogelijke onveiligheid van [de minderjarige] , in combinatie met hun eigen waarneming van de vader, onvoldoende inschatten of begeleide omgang in het belang van [de minderjarige] is. De GI wil meer zicht op wie de vader is als persoon en wat dit betekent in het contact met zijn dochter en in de samenwerking met de GI. De GI hoopt dat de vader bereid is om mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het eens met het verzoek. Zij heeft grote zorgen over het gedrag van de vader waarbij hij zaken verdraait en zich presenteert als slachtoffer. De moeder wil graag de uitkomsten van het raadsonderzoek afwachten.
4.2.
De vader heeft grote moeite met de escalerende rol van de OvJ. De vader heeft het idee dat de moeder een bondje vormt met twee ex-werknemers waar hij een conflict mee heeft en dat de zorgmeldingen over [de minderjarige] uit deze hoek komen. De vader vindt het belangrijk dat er goed feitenonderzoek wordt gedaan en wijst op de onschuldpresumptie. De vader heeft zich achter een façade moeten verbergen om emotioneel overeind te kunnen blijven en dat wordt hem nu tegengeworpen door de GI.
4.3.
De Raad adviseert om het verzoek van de GI toe te wijzen. De situatie is zeer complex en er is onvoldoende duidelijkheid over de veiligheid van [de minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan de zorgregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De kinderrechter is van oordeel dat de omstandigheden zijn gewijzigd en een aanpassing van de regeling nodig is.
5.2.
De kinderrechter stelt voorop dat in deze procedure geen strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt of een beoordeling van de (geloofwaardigheid van) bewijsstukken uit het strafdossier. Er wordt hier geen oordeel gegeven over mogelijk strafbaar handelen van de vader. De kinderrechter heeft als taak een beslissing te nemen die in het belang van [de minderjarige] is.
5.3.
Daarbij is de kinderrechter ook gebonden aan het op 1 maart 2016 in werking getreden Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden. Ook besteedt het verdrag aandacht aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld.
In de memorie van toelichting bij de goedkeuring van het Verdrag van Istanbul staat bij artikel 2 lid 2 dat Pro het verdrag van toepassing is op alle slachtoffers van huiselijk geweld, dus ook mannen en kinderen. In dezelfde memorie van toelichting staat bij artikel 31 (over voogdij, omgangsregeling en veiligheid) dat ingevolge het eerste lid van artikel 31 Verdragspartijen Pro wetgevende of andere maatregelen moeten nemen teneinde te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag. Het tweede lid van artikel 31 verplicht Pro Verdragspartijen te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.
5.4.
In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen/mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal centraal moeten staan bij de beslissing of een zorgregeling in het belang van het kind is. De rechtbank moet er dus voor zorgen dat met de beslissing de rechten en de veiligheid van [de minderjarige] gewaarborgd zijn.
5.5.
Sinds de laatste beschikking van 4 juli 2024 zijn de zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] niet verminderd, maar enkel toegenomen doordat er nieuwe zorgmeldingen zijn gedaan. Dit komt bovenop de al bestaande zorgen over controlerend gedrag vanuit de vader richting de moeder, het feit dat hij verdacht wordt van (ernstige) bedreiging van de moeder en het feit dat er een FMEK-rapport ligt over toegebracht letsel bij [de minderjarige] waar de vader geen passende verklaring voor heeft. Veilig Thuis en de GI hebben aangegeven onvoldoende beeld van de vader te hebben. Zij kunnen niet goed inschatten wat er in de vader omgaat, omdat wat hij zegt niet overeenkomt met wat hij uitstraalt en hij geen concreet antwoord geeft op vragen. De vader heeft verteld dat dit gedrag verklaard kan worden vanuit een soort zelfbescherming. Of dit klopt, kan de vader aantonen door mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. De kinderrechter hoopt dan ook dat de vader, in het belang van [de minderjarige] , bereid is om aan zo’n onderzoek mee te werken.
5.6.
De kinderrechter is van oordeel dat de eerder vastgestelde begeleide regeling geschorst dient te worden tot er meer duidelijkheid is vanuit de strafzaak of tot er vanuit een persoonlijkheidsonderzoek meer duidelijkheid komt over de persoon van vader. Op dit moment is er te veel onduidelijkheid over de (emotionele) veiligheid van [de minderjarige] , ook voor een begeleide regeling.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijzigt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals vastgesteld in de beschikking van 4 juli 2024 en schorst de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] tot er vanuit de strafzaak een uitspraak is gedaan dan wel tot er vanuit een persoonlijkheidsonderzoek meer duidelijkheid is over de vader en wat er van hem verwacht kan worden in het contact met zijn dochter;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. E.L. de Jongh, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2024, in aanwezigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.