De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Gelderland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren uit ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. De GI vroeg om verlenging voor negen maanden met het oog op veiligheid bij de vader thuis en contactherstel tussen de kinderen en de moeder.
Tijdens de zitting, waarbij de vader afwezig was en de moeder en een van de minderjarigen aanwezig waren, gaf de kinderrechter de mening van de kinderen mee, waarbij één kind aangaf geen verlenging nodig te vinden en meer vrijheid in omgang met de vader wenste. De moeder was tegen verlenging vanwege stress en onrust.
De kinderrechter constateerde dat er nog steeds sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreiging door gebrekkig contact tussen ouders en kinderen, onveilige situaties bij de vader door de aanwezigheid van een meerderjarige zoon met emotionele problemen, en ingewikkeld contact tussen ouders. Echter, de situatie is verbeterd, de veiligheid is broos maar stabiel, en de hulpverlening kan worden overgedragen aan het vrijwillig kader.
Daarom werd de ondertoezichtstelling slechts met één maand verlengd tot 15 januari 2025, om de overgang naar minder zware hulpverlening te faciliteren. Een langere verlenging werd niet gerechtvaardigd geacht. De kinderrechter complimenteerde de ouders met de geboekte voortgang en benadrukte hun verantwoordelijkheid om passende hulp te zoeken als dat nodig is.