ECLI:NL:RBGEL:2024:9425

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
23 december 2024
Zaaknummer
11234192 CV EXPL 24-2167
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid eisende partij wegens verkeerde gedaagde in loonvordering uitzendkracht

Eiseres was van juni tot september 2022 als uitzendkracht werkzaam en vordert betaling van achterstallig loon en terugbetaling van borg van het uitzendbureau [gedaagde]. Echter, [gedaagde] is pas opgericht in april 2023, na het dienstverband van eiseres.

De rechtbank stelt vast dat er geen rechtsverhouding tussen partijen heeft bestaan, omdat de onderneming waar eiseres werkte een eenmanszaak was die in april 2023 is voortgezet door een andere onderneming. Eiseres heeft niet weersproken dat zij de verkeerde partij heeft gedagvaard.

Eiseres betoogt dat de bestuurder van de eenmanszaak en de oprichter van [gedaagde] aansprakelijk is, maar deze is niet gedagvaard en kan niet via [gedaagde] worden aangesproken. De kantonrechter verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar vordering en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitkomst: Eiseres is niet-ontvankelijk verklaard wegens het dagvaarden van de verkeerde partij en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11234192 \ CV EXPL 24-2167
Vonnis van 24 december 2024
in de zaak van
[eiseres],
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. A. van Schaik,
toevoeging [nummer] ,
tegen
[gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.J. Willems.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 juli 2024,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is vanaf 13 juni 2022 tot 16 september 2022 als uitzendkracht werkzaam geweest. Over die periode is er ook woonruimte aan [eiseres] ter beschikking gesteld.
2.2.
[gedaagde] is een uitzendbureau dat zich onder meer specialiseert in het uitzenden van personeel aan bedrijven in de schoonmaakbranche. [gedaagde] is op
13 april 2023 opgericht. De bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde] is [bedrijf 1] [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1]
2.3.
Daarnaast bestaan er nog meer ondernemingen met de naam ‘ [bedrijf 2] ’ waarvan [naam 1] (tweedegraads) bestuurder is. Eén van die ondernemingen is de eenmanszaak [gedaagde] . Deze eenmanszaak is op 11 februari 2016 opgericht en op 13 april 2023 uitgeschreven in de Kamer van Koophandel. Met ingang van die datum is de eenmanszaak voortgezet door [bedrijf 3] De enig aandeelhouder en bestuurder van deze onderneming is [bedrijf 1]

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het achterstallig loon inclusief vakantiegeld over de periode van 23 augustus 2022 tot en met
16 september 2022 ter hoogte van € 2.117,19 bruto en uitbetaling van de niet genoten vakantie-uren. Daarnaast vordert zij terugbetaling van de borg van € 200,00.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij vanaf 13 juni 2022 tot
en met 16 september 2022 in dienst was bij [gedaagde] moet het achterstallig loon over de periode vanaf 23 augustus 2022 tot en met 16 september 2022 uitbetalen. Daarnaast stelt [eiseres] dat zij in verband met de aan haar ter beschikking gestelde woonruimte een borg van € 200,00 aan [gedaagde] heeft betaald, welk bedrag moet worden terugbetaald.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert kort gezegd tot
niet-ontvankelijkheid van [eiseres] omdat zij de verkeerde partij heeft gedagvaard en vordert dat [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet de juiste partij heeft gedagvaard. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.2.
Uit de door partijen overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel blijkt
dat [gedaagde] pas op 13 april 2023 is opgericht. Vaststaat dat er geen inbreng heeft plaatsgevonden vanuit enig ander bedrijf. Volgens [gedaagde] is het daarom onmogelijk dat er tussen partijen een rechtsverhouding heeft bestaan uit hoofde waarvan [eiseres] recht heeft op betaling van achterstallig loon dan wel terugbetaling van een borgsom. [eiseres] heeft deze stelling niet weersproken. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van enige rechtsverhouding tussen partijen.
4.3.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij [gedaagde] evenwel kan aanspreken tot betaling van het achterstallig loon. Ter onderbouwing daarvan heeft zij, althans zo worden haar stellingen daaromtrent begrepen, het volgende aangevoerd.
4.4.
Het is aannemelijk dat [eiseres] in dienst is geweest bij de eenmanszaak [gedaagde] . Daarvan was [naam 1] de eigenaar. [naam 1] was dan ook verantwoordelijk voor de betaling van het achterstallig loon, hetgeen hij ook heeft erkend. De eenmanszaak [gedaagde] is echter op 13 april 2023 voortgezet door [bedrijf 3] De rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst zijn daarmee – dan wel op grond van overgang van onderneming of opvolgend werkgeverschap – overgegaan op [bedrijf 3] [naam 1] is (tweedegraads) bestuurder van [bedrijf 3] , zodat [naam 1] aansprakelijk is (gebleven) voor de betaling van het achterstallig loon. Omdat [naam 1] de centrale spil is in deze kwestie en [naam 1] ook (tweedegraads) bestuurder is van [gedaagde] , kan [gedaagde] (ook) worden aangesproken tot betaling van het achterstallig loon, aldus steeds [eiseres] .
4.5.
Dit betoog kan haar niet baten. Kennelijk wenst [eiseres] (ook) [naam 1] tot
betaling van het achterstallig loon aan te spreken al dan niet op grond van (tweedegraads) bestuurdersaansprakelijkheid. Wat daar verder inhoudelijk ook van zij, [naam 1] is niet gedagvaard. Anders dan [eiseres] meent, blijkt dit ook niet uit het lichaam van de dagvaarding. [naam 1] is dus geen partij in deze procedure. Daarnaast gaat [eiseres] er ten onrechte vanuit dat, voor zover [naam 1] al gehouden zou zijn het achterstallig loon te betalen, [gedaagde] met succes tot betaling kan worden aangesproken enkel en alleen omdat [naam 1] daarvan ook (tweedegraads) bestuurder is.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering.
4.7.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
595,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.
(ldj)